Archief

Opgelet bij samenloop meerdere schenkingen

14-11-2017

Sinds 1 januari 2017 is het (wederom) mogelijk om belastingvrij een schenking van € 100.000,- te doen voor de eigen woning. Daarmee kan bijvoorbeeld uw kind een nieuwe woning kopen of zijn hypotheek aflossen. Waar moet u op letten?

Sinds 1 januari 2017 mag een belastingvrije schenking van maximaal € 100.000,- (de zogenoemde jubelton) worden gedaan op voorwaarde dat deze wordt gebruikt voor de eigen woning. De ontvanger hoeft niet per se uw kind te zijn. Een familierelatie is niet vereist, maar dat zal in de praktijk wel vaak voorkomen. 

De ontvanger van de schenking moet tussen de 18 en 40 jaar oud zijn. Is uw kind reeds 40 jaar maar zijn partner nog niet, dan kunt u alsnog gebruikmaken van deze vrijstelling. U kunt dan gewoon belastingvrij een jubelton aan uw kind schenken.

Verder mag de ontvanger van de schenker slechts eenmaal in zijn leven deze jubelton ontvangen. Dit betekent echter niet dat een ontvanger niet vaker een dergelijke schenking kan krijgen. Van verschillende schenkers is dit wel toegestaan.

Samenloop schenkingen

Het is juist op het punt van samenloop van meerdere schenkingen dat het in de praktijk nog weleens misgaat. Denk bijvoorbeeld aan ouders die ieder een ton willen schenken aan hun kind. Dit is niet mogelijk omdat deze schenkingen als één worden aangemerkt. Ouders kunnen aan hun kind samen dus slechts eenmaal de jubelton schenken. 

Dit geldt opmerkelijk genoeg ook als de ouders gescheiden zijn. Ook voormalige echtgenoten worden bij een schenking aan hun kind als een eenheid aangemerkt.

Ook bij schenkingen door grootouders geldt dat zij in beginsel niet aan hetzelfde kleinkind ieder een belastingvrije schenking van een ton kunnen doen. Ook grootouders worden voor de schenkbelasting als één gezien. 

Gescheiden grootouders worden echter niet meer als een eenheid aangemerkt, in tegenstelling tot gescheiden ouders. Zodoende is het voor opa's en oma's die zijn gescheiden wel mogelijk om aan hetzelfde kleinkind ieder de jubelton te schenken. 

Aandachtspunten

Verder moet er worden opgelet met schenkingen kort voor overlijden (sterfbedschenkingen). Deze worden namelijk gewoon tot de erfenis gerekend als het overlijden binnen 180 dagen na de schenking intreedt. Het is dus zaak tijdig te starten met het doen van schenkingen, ook als men gebruik wil maken van de vrijstelling voor de eigen woning.

Daarnaast moet schriftelijk goed worden vastgelegd dat de schenking is voldaan en is gebruikt voor de eigen woning. Bij aflossing van een hypotheek of aankoop van een nieuwe woning is dit eenvoudig met bankafschriften te realiseren. Bij een verbouwing zal een duidelijk overzicht van de gemaakte kosten moeten worden opgesteld. Het is dan raadzaam de jubelton op een aparte rekening te zetten en hieruit de verbouwingskosten te betalen. Deze rekening kan dan als een soort verbouwingsdepot fungeren, waardoor men duidelijk kan aantonen dat de uitgaven zijn gedaan in het kader van de verbouwing van de eigen woning.

Bron: Tips & Advies - Belastingen

Winst uitstellen door regeerakkoord

07-11-2017

Het kabinet-Rutte III heeft afgesproken dat de tarieven voor de vennootschapsbelasting in stappen gaan dalen. Moet u daar nu al op inspelen?

Eerder berichtten wij u over de voorgenomen verlenging van de eerste schijf in de vennootschapsbelasting. Het was de  bedoeling dat het laagste tarief op termijn zou gaan gelden voor winsten tot € 350.000. Het nieuwe regeerakkoord van het kabinet-Rutte III maakt echter duidelijk dat deze verlenging van de eerste tariefschijf niet doorgaat. In plaats daarvan zullen beide vennootschapsbelastingtarieven gelijkmatig dalen met uiteindelijk 4%.

  2017-2018     2019         2020         2021    
Winst tot € 200.000,- 20% 19% 17,5% 16%
Winst boven € 200.000,- 25% 24% 22,5% 21%

Het kan dus aantrekkelijk zijn om uw winsten de komende jaren wat te drukken ten gunste van latere jaren. Maar hoe pakt u dit aan?

Winst uitstellen is op verschillende manieren mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan het vormen van een voorziening. Daarmee kunnen toekomstige kosten naar voren worden gehaald, bijvoorbeeld in de vorm van een onderhouds- of garantievoorziening. De oorzaak van deze kosten moet dan wel in het heden liggen. Daarnaast kunt u kijken of u kosten maar voren kunt halen. Moeten er begin 2019 enkele grote uitgaven plaatsvinden? Dan is het wellicht zinvol deze eind 2017 of in de loop van 2018 te doen. Uiteraard moet het dan wel gaan om kosten die direct in het bedrijfsresultaat mogen worden geboekt en niet geactiveerd hoeven te worden (investeringen).

Verder kunt u kijken of het mogelijk is een vast activum (pand, machine, inventaris) af te waarderen. Dit is toegestaan als de boekwaarde hoger is dan de werkelijke waarde/bedrijfswaarde. Afwaardering leidt tot een verlies en zodoende een lagere winst. Bij latere verkoop van het activum ontstaat er wel een grotere boekwinst, maar deze valt dan onder een lager vennootschapsbelastingtarief. 

Bron: Tips & Advies - Belastingen

Achter de schermen bij een belastingcontrole

24-10-2017

Ondernemers die een belastingcontrole krijgen, vragen zich waarschijnlijk af hoe de Belastingdienst te werk gaat bij het voorbereiden en uitvoeren van een belastingcontrole. Wat is voor u belangrijk om te weten?

Controlemedewerkers van de Belastingdienst moeten bij het plannen en uitvoeren van een controle de richtlijnen van de Belastingdienst volgen. Hoe bepalen deze richtlijnen het verloop van de belastingcontrole en wat betekent dat voor u?

Controleaanpak Belastingdienst

De controlemedewerker voert zijn controle uit volgens de Controleaanpak Belastingdienst (CAB). De controlemedewerker beoordeelt of het controleobject (uw aangifte) voldoet aan de (fiscale) wet- en regelgeving. Kort gezegd beoordeelt de controleur of u de regels goed toepast en of u ook alles verantwoordt wat u moet verantwoorden.

Controledoelen

Bij aanvang van een controle stelt de controleur de controledoelen vast. Er wordt niet in het wilde weg gecontroleerd, maar met de focus op het doel van de controle. Het is afhankelijk van de bevindingen uiteraard mogelijk dat de controle wordt uitgebreid, bijvoorbeeld naar andere jaren of andere belastingen. 

De controleur past voor zijn controle de materialiteitstabel van de Belastingdienst toe. Er is alleen aanleiding voor een correctie bij voldoende materialiteit. Dit is afhankelijk van de omvang van uw bedrijf. De controleur moet de controle zo opzetten en uitvoeren dat hij voldoende en geschikte controle-informatie verkrijgt om conclusies te kunnen trekken. De opzet en de uitvoering van de controle moeten voldoende inhoudelijk juiste informatie opleveren. 

Controlewerkzaamheden

Aan de hand van het transactiemodel stelt de controlemedewerker onder meer vast of de relevante transacties (de werkelijkheid) juist en volledig in de aangifte(n) verantwoord zijn. Vanuit uw bedrijfsactiviteiten wordt beschreven welke relevante transacties er plaatsvinden. Deze worden gematcht met uw aangifte. 

De controleur bepaalt de aard en omvang van zijn controlewerkzaamheden op basis van een risicoanalyse om te komen tot efficiënte en effectieve combinatie van systeemgerichte en gegevensgerichte werkzaamheden. Een controle moet zo efficiënt mogelijk verlopen, waarbij dubbel werk zo veel mogelijk wordt vermeden. Daarbij wordt beoordeeld hoe uw administratie is georganiseerd en of de vastgelegde gegevens kloppen. Waar mogelijk wordt er gesteund op door anderen reeds verrichte werkzaamheden. 

De controlemedewerker stelt aan de hand van het workflowmodel een controleprogramma op om zijn controleactiviteiten in te richten. Het is de bedoeling dat iedere controle min of meer op dezelfde wijze verloopt. Dit wordt gewaarborgd door te werken met vastomlijnde controleprogramma's. Deze manier van werken is vergelijkbaar met de manier waarop wij onze werkzaamheden organiseren en uitvoeren.

De belastingdienst besteedt veel tijd en moeite aan het voorbereiden van controles. Wanneer een onderzoek wordt aangekondigd, zullen wij ons eveneens optimaal voorbereiden.

Bron: Tips & Advies - Belastingen

Gaat u een andere auto rijden in 2018?

17-10-2017

In 2013 zijn de eerste auto's met een bijtelling van 0% de weg op gekomen. Voor auto's met een eerste tenaamstelling vanaf 1 juli 2012 geldt het bijtellingspercentage 60 maanden. Dit wil dus zeggen dat de 60-maandsperiode voor deze auto's in 2018 afloopt. Daardoor krijgt u te maken met andere bijtellingspercentages. Waar moet u nu op letten?

De fiscale bijtelling voor privé gebruik van een auto van de zaak is van toepassing als er in een kalenderjaar meer dan 500 kilometer privé wordt gereden. Die toets geldt per kalenderjaar, niet per auto. Dit kan bij wisseling van een auto gedurende het kalenderjaar problemen opleveren. Zeker als een auto zonder fiscale bijtelling wordt ingewisseld voor een auto met fiscale bijtelling. 

Stel u rijdt vanaf december 2013 in een nieuwe Mitsubishi Outlander (bijtelling 0%). U heeft hier elk jaar meer dan 500 kilometer privé mee gereden. De bijtelling was immers toch 0%. In december 2018 verloopt de 60-maandsperiode en besluit u de Mitsubishi in te ruilen voor een BMW. Deze BMW heeft echter een bijtellingspercentage van 22%. U ziet het niet zitten om deze bijtelling te betalen. Daarom besluit u vanaf december 2018 een kilometeradministratie bij te houden en met de BMW niet meer dan 500 privékilometers te gebruiken. Komt u hier mee weg?

Nee, in bovenstaand geval kan u alsnog te maken krijgen met de fiscale bijtelling wegens privégebruik. U heeft namelijk meer dan 500 privékilometers gemaakt op jaarbasis. Wilt u niet bijtellen, dan dient u een overtuigend aan te kunnen tonen dat u het gehele jaar niet meer dan 500 kilometer privé rijdt. Dit kan door middel van een sluitende rittenregistratie. U dient dit ook te moeten doen wanneer u besluit de Mitsubishi aan te houden. Vanaf december 2018 geldt voor deze auto namelijk ook een bijtellingspercentage van 22%. 

Relevant fiscaal nieuws uit het regeerakkoord (3)

13-10-2017

Weer na drie jaar recht op een vast contract

Werknemers krijgen straks weer na drie jaar recht op een vast contract. Op dit moment zijn werkgevers na twee jaar dienstverband al verplicht om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te geven.

Door de invoering van de Wet werk en zekerheid werd de maximale duur van de ketenbepaling per 1 juli 2015 verkort van drie jaar naar twee jaar. In het regeerakkoord wordt deze maatregel weer teruggedraaid. Dit betekent dat de maximale duur van de ketenbepaling straks weer drie jaar is. Werknemers hebben dan na drie tijdelijke contracten of contracten tijdens een duur van maximaal drie jaar (wat eerder komt) recht op een vast contract.

Ketenbepaling weer teruggedraaid

De ketenbepaling wordt teruggedraaid, omdat de verkorting er in de praktijk vaak toe leidt dat werkgevers tijdelijke werknemers eerder de laan uit sturen. Dit is voor het aankomende kabinet een reden om de ketenbepaling weer te versoepelen.  

Tussenperiode blijft zes maanden

De tussenperiode die ervoor zorgt dat de keten opnieuw begint te lopen, blijft zes maanden. Wel vinden de formatiepartijen dat er per sector een mogelijkheid moet zijn om hiervan af te wijken. Dit is nu al het geval bij seizoensarbeid, maar geldt straks ook voor terugkerend tijdelijk werk dat hoogstens negen maanden per jaar kan worden verricht.

 

Direct na indiensttreding recht op transitievergoeding

Werknemers hoeven straks niet meer twee jaar in dienst te zijn om recht te hebben op de transitievergoeding. Ook wijzigt de berekening van de transitievergoeding na het tiende dienstjaar.

Op dit moment moeten werknemers een dienstverband van minimaal twee jaar hebben voordat zij bij ontslag recht hebben op een transitievergoeding. In het regeerakkoord is aangekondigd dat werknemers dit recht straks vanaf het begin van hun arbeidsovereenkomst krijgen. Voor het recht op de transitievergoeding maakt het dan dus niet meer uit hoelang een werknemer in dienst is geweest. Wel zal de hoogte van de transitievergoeding bij een korter dienstverband dan twee jaar uiteraard minimaal zijn.

Wijziging transitievergoeding na tiende dienstjaar

Daarnaast wordt de hoogte van de transitievergoeding voor werknemers die langer dan tien jaar in dienst zijn geweest straks gewijzigd. Op dit moment krijgen zij voor de eerste tien jaar een derde maandsalaris per gewerkt jaar. Voor de jaren na het tiende dienstjaar heeft de werknemer recht op een half maandsalaris per gewerkt jaar. Dit laatste wijzigt straks: ook na het tiende dienstjaar blijft een werknemer dan een derde maandsalaris per gewerkt jaar ontvangen. De overgangsregelings voor vijftigplussers blijft wel gewoon bestaan.

 

Vanaf 1 juli 2020 wekenlang vaderschapsverlof

Per 2019 kunnen werknemers vijf dagen betaald kraamverlof opnemen als hun partner bevalt. Vanaf 1 juli 2020 wordt het kraamverlof, ook wel vaderschapsverlof genoemd, nog verder uitgebreid.

Onder het bewind van het vertrekkende kabinet werd er al een wetsvoorstel voor uitbreiding van het kraamverlof ingediend. Dit wetsvoorstel vervangen de formatiepartijen door een nieuw wetsvoorstel. Dat voorstel regelt dat werknemers na de bevalling van hun partner recht hebben op vijf (in plaats van de huidige twee) dagen betaald kraamverlof. Tijdens deze vijf verlofdagen betaalt de werkgever het volledige loon door. Het oude wetsvoorstel beoogde te regelen dat UWV voor de drie extra verlofdagen een uitkering zou betalen. De uitbreiding naar vijf betaalde verlofdagen moet per 1 januari 2019 gebeuren. In de Rijksbegroting 2018 van het ministerie van SZW is hier al rekening mee gehouden.

Vijf weken kraamverlof, met uitkering van UWV

Het nieuwe wetsvoorstel heeft nog een andere verrassing in petto: per 1 juli 2020 krijgen de werknemers de kans om maar liefst vijf aanvullende weken vaderschapsverlof op te nemen. Dit deel van het verlof wordt wél betaald door UWV. De uitkeringsinstantie verstrekt hiervoor een uitkering, die 70% van het dagloon (en hoogstens 70% van het maximumdagloon) bedraagt. Een werknemer kan het verlof alleen in het eerste half jaar na de geboorte van het kind opnemen.

Het aankomende kabinet wil met de wijzigingen een positieve bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de band tussen de partner en zijn of haar kind. Bovendien vergroot het langere kraamverlof de arbeidsmarktkansen van vrouwen, doordat het verschil met het zwangerschaps- en bevallingsverlof verkleind wordt.

 

Nieuw pensioenstelsel: iedereen z’n eigen potje

Als het aan de formatiepartijen ligt, verdwijnt de zogenoemde doorsneesystematiek in het pensioenstelsel. Iedere werknemer bouwt straks zijn eigen pensioenpotje op: het persoonlijk pensioenvermogen.

In het regeerakkoord 2017 wordt een grootschalige verandering van het pensioenstelsel aangekondigd. Iedere deelnemer krijgt zijn eigen, individuele pensioenpot: het persoonlijk pensioenvermogen. Daarmee verdwijnt de doorsneesystematiek waarbij de premie van jongeren deels wordt gebruikt voor het pensioenuitkering van ouderen. De plannen van de formatiepartijen sluiten aan op het advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) over het nieuwe pensioenstelsel.

Wél collectieve risicodeling

De invoering van het persoonlijk pensioenvermogen betekent niet dat gepensioneerden die langer leven dan gemiddeld de laatste jaren van hun leven zonder pensioen komen te zitten. Een collectieve buffer – die wordt gevuld met overrendement – zorgt er namelijk voor dat onvoorziene omstandigheden geen nadelige gevolgen hebben voor deelnemers. 

Al begin 2018 overeenstemming

De formatiepartijen willen meteen vaart zetten achter de nieuwe pensioenplannen. Al begin 2018 willen zij op hoofdlijnen overeenstemming bereiken met de sociale partners. Het streven is dat in 2020 het wetgevingsproces afgerond wordt en direct daarna begonnen kan worden met de implementatie van de nieuwe regels. 

Bron: Rendement

Relevant fiscaal nieuws uit het regeerakkoord (2)

12-10-2017

Wet DBA sterft stille dood in regeerakkoord 2017

De verguisde Wet deregulering arbeidsrelaties heeft zijn langste tijd gehad. In het kersverse regeerakkoord staan drie uitgangspunten voor de wet die hem gaat vervangen.

De Wet deregulering arbeidsrelaties (DBA) volgde in mei 2016 de Verklaring arbeidsrelatie (VAR) op. De Wet DBA zorgde echter vanaf het begin al voor veel onduidelijkheid en onrust. De Belastingdienst beloofde daarom om de wet tot juli 2018 niet te handhaven. Het regeerakkoord 2017 draait hem helemaal de nek om. Daarin staat dat de Wet DBA wordt vervangen door een nieuwe wet.

Niet te veel administratieve rompslomp voor werkgevers

De opvolger van de Wet DBA moet zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) en de partijen die met hen in zee gaan, de zekerheid geven dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. Aan de andere kant moet schijnzelfstandigheid in de kiem worden gesmoord. De formatiepartijen zijn van plan om partijen uit de praktijk te betrekken bij de uitwerking van de nieuwe wet. Ook vinden ze het belangrijk dat de nieuwe wet voor de Belastingdienst goed te handhaven is en voor werkgevers en opdrachtnemers niet al te veel administratieve rompslomp oplevert.

 

Laag tarief voor zzp’er: automatisch arbeidsovereenkomst

 

Als een zelfstandige een laag tarief verdient en daarnaast reguliere werkzaamheden verricht of minimaal drie maanden op de werkvloer rondloopt, is er in de toekomst altijd sprake van een dienstverband. Dat lage tarief zal waarschijnlijk tussen de € 15 en € 18 per uur liggen.

 

Een zelfstandige zonder personeel heeft volgens het regeerakkoord 2017 al snel een dienstverband. In de nieuwe regels voor zzp’ers – die de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties gaan opvolgen – staat namelijk dat er altijd sprake is van een arbeidsovereenkomst als een zzp’er een laag tarief betaald krijgt en daarnaast aan één van deze voorwaarden voldoet:

 

  • Hij verricht reguliere werkzaamheden.
  • Hij is langer dan drie maanden werkzaam voor de organisatie.

Van een laag tarief is waarschijnlijk sprake als de zzp’er tussen de € 15 en € 18 per uur verdient.

Even wennen aan de nieuwe regels

Werkgevers krijgen de tijd om te wennen aan de nieuwe regels voor zzp’ers: na de invoering van de nieuwe regels zal de overheid – net als na de invoering van de Wet DBA – gedurende een jaar een terughoudend handhavingsbeleid voeren. In dat jaar worden er wel controles gehouden, maar in eerste instantie geen boetes uitgedeeld.

 

Opdrachtgeversverklaring biedt vooraf zekerheid bij zzp’er

Organisaties die met zzp’ers werken, kunnen straks vooraf via een webmodule vrijwaring voor de loonheffingen krijgen. Deze zogenoemde opdrachtgeversverklaring maakt deel uit van een heel pakket aan nieuwe regels voor opdrachtnemers.

De zogenoemde opdrachtgeversverklaring voor zelfstandigen zonder personeel houdt in dat opdrachtgevers via een webmodule een aantal vragen moeten invullen over de arbeidsrelatie met de opdrachtnemer. Komt er uit die module dat er geen sprake is van een dienstverband, dan loopt de opdrachtgever geen risico op een naheffingsaanslag voor de loonheffingen. Dat staat  in het regeerakkoord 2017.

Geen zekerheid bij onjuiste antwoorden

Alleen als de opdrachtgever vragen in de webmodule onjuist beantwoordt, kan hij alsnog met een naheffingsaanslag geconfronteerd worden. De kans dat dat gebeurt is volgens de formatiepartijen echter klein, onder meer doordat het begrip gezagsverhouding verduidelijkt wordt. 

Aparte regels voor bijzondere groepen

Voor zzp’ers die een heel hoog of juist heel laag tarief hanteren, gelden straks aparte regels. Voor deze groepen hoeven organisaties dus geen opdrachtgeversverklaring te hebben.

 

Dividendbelasting afgevoerd

Het nieuwe kabinet zet een streep door de dividendbelasting. Dat maakt het volgens de coalitie voor Nederlandse ondernemingen makkelijker om kapitaal uit het buitenland aan te trekken. Ook scheelt het administratieve rompslomp.

Uit het regeerakkoord blijkt dat de afschaffing van de dividendbelasting waarschijnlijk voor 2020 gepland staat. Vanaf dat jaar boekt het kabinet namelijk jaarlijks € 1,4 miljard aan lagere belastinginkomsten in.

Nu betalen ondernemingen nog 15% belasting over het dividend dat zij uitkeren. Daarvoor moeten zij ook aangifte doen. De ontvanger van het dividend kan dit vervolgens weer verrekenen in de aangifte voor de inkomstenbelasting of voor de vennootschapsbelasting (VPB). Door de dividendbelasting te schrappen wordt die administratieve last dus minder.

Buitenlandse ondernemingen kunnen voordeliger investeren

Voor buitenlandse ondernemingen geldt vaak dat zij de ingehouden dividendbelasting niet in Nederland kunnen verrekenen met de inkomstenbelasting of de VPB. Dit nadeel vervalt dus straks, waardoor buitenlandse ondernemingen ook makkelijker kunnen investeren in het Nederlandse bedrijfsleven.

Tegelijkertijd neemt het kabinet maatregelen om te voorkomen dat er door het verdwijnen van de dividendbelasting brievenbusfirma’s uit de grond schieten die geld gaan uitkeren naar belastingparadijzen. Er komt een bronbelasting op royalty’s en rente die naar landen stromen met zeer lage belastingen.

Bron: Rendement

Relevant fiscaal nieuws uit het regeerakkoord (1)

11-10-2017

Inkomstenbelasting krijgt twee schijven van 36,93% en 49,5%

Uit het regeerakkoord blijkt dat het belastingstelsel flink hervormd gaat worden. Voor de inkomstenbelasting gaat een tarief van 36,93% gelden voor inkomens tot € 68.000, daarboven gaan belastingplichtigen een tarief van 49,5% betalen. Werken moet hierdoor meer gaan lonen.

Het tweeschijvenstelsel gaat dus bestaan uit een basistarief van 36,93% en een toptarief van 49,5%. Dit is een van de maatregelen uit het regeerakkoord die moet leiden tot een lastenverlichting van ruim € 6 miljard in 2021. Het inkomenspakket zorgt voor evenwicht tussen één- en tweeverdieners en maakt het – vooral voor werkenden met een middeninkomen – lonender om (meer) te werken. Werkenden met een middeninkomen zien hun inkomen momenteel amper stijgen als zij een dag extra gaan werken of promotie maken omdat ze al snel in een hogere belastingschijf terechtkomen. Door de twee belastingschijven in de loon- en inkomstenbelasting kunnen mensen langer profiteren van het lage tarief.

Wel drie schijven voor AOW-gerechtigden

Om de uitvoering van het fiscale stelsel dat in 2019 moet ingaan te realiseren, wordt de komende jaren € 0,5 miljard gereserveerd om de investeringsagenda van de Belastingdienst uit te voeren. Voor AOW-gerechtigden blijven er wel drie schijven bestaan.

 

Lage BTW gaat omhoog van 6% naar 9%

Het nieuwe kabinet wil in 2019 het lage BTW-tarief verhogen van 6% naar 9%. De opbrengst van deze BTW-verhoging is nodig ter dekking van de verlaging van de belastingen op inkomen.

Het lage BTW-tarief van 6% geldt onder andere voor voedingsmiddelen, water, agrarische goederen, geneesmiddelen , kunst en boeken. Daarnaast vallen de volgende diensten onder het lage BTW-tarief:

  • reparatie van fietsen, schoenen en kleding;
  • diensten van kappers;
  • werkzaamheden aan woningen;
  • cultuur en recreatie;
  • sport waaronder zwembaden en sauna’s.

Deze goederen en diensten worden dus duurder door de verhoging van het lage BTW-tarief. 

 

Mes in tarieven vennootschapsbelasting

Het nieuwe kabinet verlaagt de tarieven in de vennootschapsbelasting (VPB) de komende jaren met vier procentpunt. Er is echter ook een minpunt voor ondernemingen: het optrekken van de eerste schijf in de VPB gaat niet door.

In het regeerakkoord is afgesproken dat de twee tarieven in de VPB in 2021 moeten zijn gedaald naar respectievelijk 16% en 21%. Nu is dat nog 20% en 25%. Het lage tarief geldt tot een winst van € 200.000 per jaar.

De afbouw van de tarieven verloopt geleidelijk en gaat als volgt in zijn werk:

  • 2019: 19% en 24%
  • 2020: 17,5% en 22,5%
  • 2021: 16% en 21%

Streep door hogere eerste schijf VPB

In de financiële paragraaf van het regeerakkoord staat ook een tegenvaller voor ondernemers. Eerder was namelijk afgesproken dat de eerste schijf in de VPB geleidelijk zou worden opgetrokken. De eerste verhoging zou al in 2018 ingaan, waardoor het lage tarief van 20% zou gelden tot een winst van € 250.000. Maar het nieuwe kabinet haalt een streep door dat voordeel voor ondernemers. De grens blijft dus op € 200.000 staan.

Daarnaast schroeft het nieuwe kabinet het tarief in box 2 op, van 25% naar 28,5%.

 

Box 2-tarief op aanmerkelijk belang flink omhoog

Nederlanders met een aanmerkelijk belang in een vennootschap gaan de komende jaren flink meer belasting betalen in box 2. In de plannen van het nieuwe kabinet klimt het tarief van de huidige 25% naar 28,5% in 2021.

Een aanmerkelijkbelanghouder is iemand die een belang van 5% of meer houdt in een vennootschap. Over het belastbaar inkomen dat voortvloeit uit dat aanmerkelijk belang moet 25% belasting worden afgedragen in box 2.

Het optrekken van het tarief in box 2 is mede een gevolg van het besluit in het regeerakkoord om de komende jaren het mes te zetten in de vennootschapsbelasting. De VPB daalt juist van 20% en 25% nu naar 16% en 21% in 2021.

Eerste verhoging tarief box 2 in 2020

Om een stokje te steken voor ‘een sterke aanzuigende werking naar de bv’ stijgen dus de box 2-tarieven. De eerste verhoging is in 2020. Dan gaat het tarief naar 27,3%. In 2021 klimt het tarief dan verder naar 28,5%.

Bron: Rendement

Bijtelling privégebruik auto blijft 25% voor auto's van vóór 2017

10-10-2017

De overgangsregeling voor de bijtelling privégebruik auto van de zaak is volgens Rechtbank Den Haag niet in strijd met het IVBPR (Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten) en het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Per 2017 geldt alleen voor nieuwe auto’s het verlaagde percentage van 22%. Mr. Heleen Elbert schijnt haar licht op deze zaak.

Per 1 januari 2017 is de bijtelling voor de auto van de zaak verlaagd van 25% naar 22%. Op grond van de overgangsregeling van artikel 36c lid 1 Wet LB 1964 blijft het percentage van 25% gehandhaafd voor auto’s met een datum eerste toelating van uiterlijk 31 december 2016. Volgens de eisende partijen in de vier proefprocedures (van de Vereniging Zakelijke Rijders, VZR) leidt dit tot een ongeoorloofde ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Rechtbank Den Haag is het echter met de inspecteur eens dat daar geen sprake van is. De keuze voor de verlaging van het bijtellingspercentage is mede gelegen in het feit dat nieuwe auto’s in het algemeen zuiniger zijn dan hetzelfde type oude auto’s, aldus de rechtbank. Dat de wetgever ‘nieuwe auto’s’ heeft gedefinieerd als auto’s met datum eerste toelating na 31 december 2016 is op zich niet discriminatoir, en omwille van de uitvoerbaarheid mocht hij deze keuze maken. Met de overgangsregeling wilde de wetgever onwenselijke effecten voorkomen, waardoor de keuze voor invoering volgens de rechtbank redelijk is. De werkgevers hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat zij waren getroffen door een individuele en buitensporige last, dan wel een onredelijke last. Er is volgens de rechtbank geen onduidelijkheid die ertoe leidt dat zij prejudiciële vragen moet stellen aan de Hoge Raad, en verklaart het beroep van de werkgevers ongegrond.

Reactie mr. Heleen Elbert

Taxence vroeg mr. Heleen Elbert, autobelastingexpert en bestuurslid VZR, om een reactie op deze uitspraak. 'De uitspraken van de Rechtbank zijn zoals verwacht, niet bemoedigend. Hoewel ik het vreemd blijf vinden dat het privégebruik van een auto met datum tenaamstelling 31 december fiscaal veel voordeliger wordt belast dan (exact) dezelfde auto die een paar dagen later te naam is gesteld. 'Je moet toch ergens een grens trekken', aldus mijn korte samenvatting van de motivering van de Rechtbank. In eerdere, soortgelijke, rechtszaken ging het de vraag of er sprake was van discriminatie vanwege de verhoging van een CO2 uitstootgrens. Onderscheid tussen verschillende uitstootgrenzen werd daarin – kort door de bocht - gebillijkt vanwege het belang voor het milieu. Een verschil met die zaken is dat het nu niet gaat om eigenschappen van de auto en ook niet om een korting die verleend wordt op het standaardbijtellingspercentage. In deze zaak gaat het om het standaardbijtellingspercentage zelf. De staatssecretaris is tot de – terechte – conclusie gekomen dat 25% wat aan de hoge kant is, maar ‘gunt’ de verlaging tot 22% alleen aan auto’s die na 31 december 2016 te naam zijn gesteld. De ‘oudere’ auto’s worden hierdoor niet gediscrimineerd, aldus de rechtbank. Ik ben benieuwd naar de uitspraak in hoger beroep.'

Bron: Taxence

Belastingdienst is strenger bij aanpak schijnzelfstandigen

03-10-2017

De Belastingdienst vindt dat bedrijven die in de fout gaan met zzp'ers, eerder kunnen worden aangepakt. Staatssecretaris Wiebes noemde bij het opschorten van de Wet DBA vorig jaar, dat het hooguit om tien gevallen zou gaan. De fiscus hanteert dus een strenger beleid! 

De ruimere toepassing van het begrip 'evident kwaadwillenden' door de Belastingdienst blijkt volgens belastingadviseurs uit twee interne memo's van de fiscus die in augustus zijn vrijgegeven na een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur.

Volgens het Financieel Dagblad raden adviseurs hun klanten aan terughoudend te zijn met het voorleggen van opdrachtovereenkomsten met zzp'ers aan de Belastingdienst. Dat voorkomt het wakker maken van slapende honden.

Modelovereenkomsten

Wiebes schortte vorig jaar de handhaving van de Wet DBA op met als reden dat er problemen waren bij de totstandkoming van modelovereenkomsten om met zzp'ers te kunnen werken zonder de vrees voor navorderingen van loonheffingen.

Wiebes maakte toen een uitzondering voor 'evident kwaadwillenden'. Het zou hooguit om tien gevallen gaan, waar de termen fraude, zwendel, valsheid, samenspanning en uitbuiting op van toepassing zouden zijn.

Volgens de memo's kunnen bedrijven echter veel sneller in de categorie 'evident kwaadwillenden' belanden. Dat is vooral het geval als opdrachtgevers en -nemers, ondanks herhaaldelijke verzoeken van de Belastingdienst, geen aanpassingen aanbrengen in modelovereenkomsten die de fiscus heeft afgekeurd. Ook als bedrijven en zzp'ers aanwijzingen negeren om hun werkwijze te veranderen zodat er volgens de fiscus geen sprake is van een dienstbetrekking, kan de fiscus loonbelasting en sociale premies naheffen bij opdrachtgevers en boetes opleggen.

Bron: Taxence

Drie auto's, drie maal bijtelling

19-09-2017

Uit een rechtszaak is gebleken, indien u als directeur-grootaandeelhouder meerdere auto's van uw zaal in gebruik heeft, u geconfronteerd kunt worden met meerdere bijtellingen voor het privégebruik hiervan. Wat speelde er?

Voor de Hoge Raad speelde een zaak waarbij een directeur-grootaandeelhouder (DGA) maar liefst drie auto's van zijn eigen BV in gebruik heeft. Het betreft een BMW en twee Audi's. Alleen voor de BMW wordt een bijtelling voor privégebruik in aanmerking genomen.

De Belastingdienst constateert tijdens een boekenonderzoek dat de DGA ook gebruikmaakt van de twee andere auto's zonder dat hiervoor een bijtelling in aanmerking wordt genomen. Op zich is dat geen probleem, mits de DGA kan onderbouwen dat hij met iedere Audi niet meer dan 500 kilometer privé rijdt. Dit kan worden aangetoond met een sluitende kilometeradministratie. Die heeft de DGA echter niet. 

De DGA begint met achteraf opstellen van de rittenstaten. Aan de hand van zijn agenda, tankbonnen, een onderhoudsfactuur en aantekeningen probeert hij bewijs te leveren dat hij beide Audi's nagenoeg uitsluitend zakelijk heeft gebruikt. 

Standpunt inspecteur

Zoals vaker, blijkt het achteraf opstellen van een rittenregistratie geen sinecure. Het is fiscaal wel toegestaan, maar bijna onmogelijk om dit juist en volledig achteraf uit te voeren. De inspecteur heeft dan ook het nodige aan te merken op deze rittenregistratie. Zo noteert de DGA alleen de afgelegde kilometers naar zakelijke klanten en niet de begin- en eindstanden van de kilometerteller. Bovendien registreert hij korte ritten naar bijvoorbeeld het tankstation niet. Mede hierdoor ontstaan er verschillen tussen de rittenstaat en de kilometrages die zijn vermeld op de tankbonnen. Ook het brandstofverbruik roept vragen op. Uitgaande van de door de DGA aangeleverde gegevens varieert dit van 1 op 1,36 tot 1 op 22,25! Er wordt dan ook een naheffingsaanslag van € 24.251,- met boete opgelegd. De boete wordt vanwege de lange behandelduur van het bezwaar door de inspecteur verminderd van 25% tot 10%.

Uitspraak rechter

Al met al kan de achteraf opgestelde rittenregistratie niet als bewijs dienen. De rechter oordeelt dat de Belastingdienst terecht een naheffing loonheffing heeft opgelegd. Ook voor beide Audi's moet een bijtelling voor privégebruik in aanmerking worden genomen.

Commentaar

Uit deze uitspraak blijkt nog eens dat u voor iedere auto die u van uw BV ter beschikking krijgt gesteld, in beginsel rekening moet houden met een bijtelling voor het privégebruik. Zelfs als dit drie (of meer) auto's zijn, moet u per auto aantonen dat u hiermee op jaarbasis minder dan 500 kilometer privé rijdt. 

Daarnaast blijkt uit deze uitspraak nog eens dat het achteraf in elkaar knutselen van een rittenregistratie ondoenlijk is. De fiscus heeft tegenwoordig zulke sterke controlemiddelen dat zij hier vrij eenvoudig gaten in kan schieten. Wilt u een bijtelling voorkomen door middel van een rittenregistratie, dan is het raadzaam deze dagelijks goed bij te houden. 

Bron: Tips & Advies - Belastingen

Laat die investeringsaftrek niet verloren gaan

19-09-2017

Als u investeert, kunt u rekenen op een aantal forse fiscale tegemoetkomingen. Om misbruik te voorkomen, gelden er wel aanvullende voorwaarden. Zorg dat u hierop anticipeert om de investeringsaftrek niet onbedoeld te verspelen. 

Investeren is goed voor de economische groei. Daarom geldt hiervoor een aantal aantrekkelijke fiscale tegemoetkomingen in de vorm van investeringsaftrekken. Deze kennen we voor kleinschalige, milieuvriendelijke en energievriendelijke investeringen. Er gelden wel voorwaarden om misbruik te voorkomen.

In gebruik nemen

Een belangrijke eis van de investeringsaftrekken is dat het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen. Zo niet, dan kunt u slechts een deel van de investeringsaftrek verrekenen. Dit deel is gelijk aan het deel van het bedrijfsmiddel dat u betaald heeft. De rest van de investeringsaftrek schuift door naar de toekomst. U krijgt dit dan als u het bedrijfsmiddel in gebruik heeft genomen of heeft betaald. Zo niet, dan bent u de aftrek dus kwijt. 

Ook willekeurig afschrijven, door bijvoorbeeld starters of bij sommige milieu-investeringen, kan slechts tot maximaal het bedrag van de betaling. Houd hier dus rekening mee als nog niet duidelijk is of u een bedrijfsmiddel wel direct in gebruik kunt nemen. 

De eis geldt ook als er geen sprake is van misbruik. U heeft bijvoorbeeld een bedrijfsmiddel aangeschaft, maar de benodigde vergunningen laten langer op zich wachten dan gedacht. Of u kunt de vereiste werknemers niet vinden. Wat te doen?

Betaling

U bent voor de investeringsaftrekken uit de brand als u het bedrijfsmiddel betaalt voor in ieder geval het deel waarop u investeringsaftrek krijgt.

Voorbeeld: Uw BV investeert in 2017 in een machine van € 100.000,-. De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bedraagt € 15.687,-. Als u in ieder geval dit deel van de factuur voor de machine betaalt, komt uw BV dit jaar nog in aanmerking voor de hele aftrek. Bij een belastingtarief van stel 25% levert dit € 3.922,- op.

Heeft u onvoldoende financiële middelen, dan kan een lening ook uitkomst bieden, zo besliste het Gerechtshof Den Haag onlangs. 

Als u het bedrijfsmiddel nog niet in gebruik neemt, is het van belang dat u in ieder geval 25% van uw investering binnen 12 maanden na aankoop betaalt. Doet u dit niet, dan komt de gehele investeringsaftrek te vervallen.

Dit is ook het geval als u het bedrijfsmiddel na drie jaar nog steeds niet in gebruik heeft genomen. U kunt de inspecteur verzoeken deze sanctie in uitzonderingsgevallen niet toe te passen, maar deze zal zich niet makkelijk laten overtuigen. Wijst hij uw verzoek af, dan kunt u dit ook niet via de rechter aanvechten. Probeer deze situaties dus te allen tijde te voorkomen.

Bron: Tips & Advies - Belastingen

Winst uitstellen naar 2018 voordelig?

12-09-2017

De eerste tariefschijf voor de vennootschapsbelasting wordt in 2018 verlengd. Hierdoor kan het aantrekkelijk zijn om de winst van dit jaar deels uit te stellen.

De eerste schijf van de vennootschapsbelasting wordt met ingang van 2018 verlengd. De grens wordt opgehoogd van € 200.000,- naar € 250.000,-. Dit betekent dat u pas bij een winst boven deze verhoogde grens 25% vennootschapsbelasting bent verschuldigd. Tot die grens geldt er een tarief van 20%. 

De vraag is of deze verlenging van de tariefschijf het aantrekkelijk maakt om winst in 2017 uit te stellen naar 2018. Alleen als uw BV nu meer dan € 200.000,- winst maakt én het naar verwachting lukt om de winst in 2018 onder de € 250.000,- te houden, heeft het zin om winst te verschuiven naar 2018. Dit kan dan een voordeel van maximaal € 50.000,- x 5% = € 2.500,- opleveren. 

Met ingang van 2020 gaat de grens voor de eerste tariefschijf zelfs naar € 300.000,-. Uitstel van winst naar 2020 en later kan dus extra aantrekkelijk zijn. Winst uitstellen is op verschillende manieren mogelijk. Het is afhankelijk van uw concrete situatie welke optie haalbaar is. 

  • De allereerst aan het vormen van een voorziening. Daarmee kunnen toekomstige kosten naar voren worden gehaald. bijvoorbeeld in de vorm van een onderhouds- of garantievoorziening. De oorzaak van deze kosten moet dan wel in het heden liggen.
  • Daarnaast kunt u kijken of u kosten naar voren kunt halen. Moeten er begin 2018 enkele grote uitgaven plaatsvinden? Dan is het wellicht zinvol om deze eind 2017 te doen. Uiteraard moet het dan wel gaan om kosten die niet geactiveerd hoeven te worden (investeringen).
  • Verder is het wellicht mogelijk om een vast activum (pand, machine, inventaris) af te waarderen. Dit is toegestaan als de boekwaarde hoger is dan de werkelijke waarde/bedrijfswaarde. Afwaardering leidt tot een verlies en dus tot een lagere winst. Bij latere verkoop ontstaat dan uiteraard wel een hogere boekwinst.

Bron: Tips & Advies - Belastingen

Wat kost het om een bedrijf te starten?

05-09-2017

In principe kunt u met vrij weinig middelen een onderneming starten, maar helemaal kosteloos is een bedrijf beginnen meestal niet. Met welke kosten moet u als gemiddelde startende ondernemer zoal rekening houden?

1. Kosten van de KvK

Bij het starten van een eenmanszaak, vennootschap onder firma (vof), commanditaire vennootschap (cv) of maatschap moet u uw onderneming altijd inschrijven bij de Kamer van Koophandel (KvK). Dit doet u door digitaal uw gegevens in te vullen op de KvK-website. Daarna moet u ook nog persoonlijk langsgaan bij een KvK-kantoor bij u in de buurt om de inschrijving af te ronden. Voor de inschrijving van een nieuwe onderneming of organisatie in het Handelsregister betaalt u een eenmalige inschrijfvergoeding van € 50,-.

2. De notariskosten

Een rechtspersoon, waaronder een besloten vennootschap (bv) of stichting, kunt u alleen via de notaris uw bedrijf oprichten. U stelt in dat geval samen een oprichtingsakte op, waarna de notaris uw KvK-inschrijving regelt. De kosten hiervoor beginnen volgens vergelijkingswebsite www.degoedkoopstenotaris.nl bij € 263,-, maar kunnen oplopen tot € 1.200,-

3. Kosten van een bedrijfspand

De meest voordelige optie is om uw bedrijf vanuit huis beginnen. Maar zodra u personeel in dienst neemt of klanten wilt ontvangen in een professionele omgeving, is de tijd gekomen om aan een bedrijfspand te denken.

De huur mag u onder bepaalde voorwaarden aftrekken van uw winst. En dat niet alleen: ook de kosten voor energie, verzekeringen, schoonmaak en inrichting zijn vaak aftrekbaar. Dat wil overigens niet zeggen dat u gerust een duur pand kunt huren met een neusje-van-de-zalm-schoonmaker erbij, zodat u weinig belasting hoeft te betalen. Dat kan - als u meer geld uitgeeft dan winst maakt - namelijk resulteren in een probleem met uw cashflow of zelfs uitmonden in een faillissement.

Gebruikt u uw eigen woning voor het bedrijf? Dan mag u de kosten van uw werkruimte alleen van de winst aftrekken als het een zelfstandig deel van het huis is. De ruimte moet bijvoorbeeld in theorie apart verhuurbaar zijn en een eigen in- of opgang en wc hebben.

4. Telefoonkosten

Uw maandelijkse telefoonrekening kan bestaan uit meerdere nullen als u net een bedrijf begint. U pleegt vaak regelmatig acquisitie en moet veel regelen. Gelukkig kunt u de kosten voor zakelijke telefoongesprekken volledig aftrekken van uw winst.

Natuurlijk geldt hiervoor hetzelfde als bij de kosten voor uw bedrijfspand: u moet wél een gezonde cashflow hebben om dit bedrag voor te schieten.

Kiest u voor mobiele telefonie? Verschillende telecomaanbieders bieden abonnementen of losse bundels aan waarmee u voor een vast bedrag per maand onbeperkt kunt bellen. Dat bedrag komt maandelijks uit rond de vijftig euro als u er ook nog een flinke internetbundel bij afsluit en zal rond de dertig euro kosten als u kiest voor een abonnement zonder internetbundel.

5. Kosten van een boekhouder of accountant

U kunt uw administratie zelf doen, maar u zult niet de eerste ondernemer zijn die hier een broertje dood aan heeft. Wij nemen de administratieve lasten graag van u over, zodat u zich volledig kunt richten op uw eigen werkzaamheden. Maak vrijblijvend een afspraak voor onze tarieven. 

Bron: ikgastarten.nl

Mag je zomaar een bedrijf aan huis beginnen?

29-08-2017

Als startende ondernemer is het aantrekkelijk om in eerste instantie vanuit huis te gaan werken. Je hoeft niet te investeren in een bedrijfsruimte en een werkkamer is snel ingericht. Maar mag dit zomaar en is dit fiscaal aftrekbaar? Lees aan welke regels je gebonden bent als je vanuit huis onderneemt.

De meeste ondernemers die een bedrijf aan huis beginnen zijn eenmanszaken. De stap is ook niet zo groot: je schrijft je in bij de Kamer van Koophandel en kunt als ondernemer gaan en staan waar je wilt. Te beginnen in huis, in jouw werkkamer, zolder of zelfs aan de keukentafel. 

Veel starters die deze mogelijkheid hebben, kiezen er dan ook voor om in eerste instantie vanuit huis te werken. Thuiswerken heeft nou eenmaal zijn voordelen.

Je hoeft niet iedere dag op en neer te reizen, kunt je eigen werktijden bepalen en bespaart geld aan het huren of kopen van een bedrijfspand. 

Tot zover de ideale situatie, want als zelfstandige professional die vanuit huis werkt, moet je je wel aan de regels van de overheid én gemeente houden. Maar laat je niet afschrikken, want je kunt ze hieronder allemaal afvinken. 

Controleer het bestemmingsplan

Laten we eerst eens kijken naar wat de wet zegt over een bedrijf aan huis starten. In een woonhuis dus. Dat woonhuis heeft volgens het bestemmingsplan een woonbestemming.

En dus is er in veel gevallen expliciete toestemming van de gemeente nodig om thuis een bedrijf te beginnen. Of je moet een vrij beroep hebben, dat we hieronder zullen bespreken.

Een horecaonderneming of een zaak in de detailhandel vanuit huis beginnen is bijvoorbeeld überhaupt niet mogelijk.

Het zou ook vreemd zijn als jouw buren plots een Praxis-filiaal openen, de andere buren vervolgens ook franchisenemer worden en jouw wijk zijn woonkarakter verliest door in een bedrijventerrein te veranderen.

Check de regelgeving over thuiswerken

Het volgende aandachtspunt om vanuit huis te mogen werken is jouw beroep, want daarin maakt de gemeente onderscheid. Iedereen die een vrij beroep uitoefent mag dit thuis doen. Althans, onder een aantal voorwaarden waardoor jouw huis een woonhuis blijft. 

Een vrij beroep is niet altijd even gemakkelijk te definiëren, maar op Wikipedia is een lijst te vinden met voorbeelden. Denk aan:

  • huisartsen
  • tekstschrijvers
  • belastingadviseurs
  • fysiotherapeuten
  • leraren
  • psychologen
  • verpleegkundigen

Deze ZZP'ers hoeven dus niet eerst toestemming te vragen bij de gemeente om thuis te werken. Het is dan ook niet vreemd dat juist deze beroepsgroepen vaak vanuit huis werken.

Wel moeten zij zich aan een aantal regels houden.

De meeste gemeenten hebben besloten dat er maximaal 1/3 van je woning dienst mag doen als bedrijfsruimte. 

Vraag voor de zekerheid bij jouw gemeente na of deze voorwaarden ook voor jou gelden. 

Verder mag jouw bedrijf aan huis geen overlast veroorzaken: je woont in een woonwijk en hebt dus rekening met elkaar te houden.

Vandaar dat je dus geen horecaonderneming mag starten aan huis: de muziek en (beschonken) gasten zorgen voor een hoop lawaai.

Ook een timmerman mag niet zomaar een werkplaats in de tuin maken in verband met geluidsoverlast van de werkzaamheden. Verder moet je de onderneming low-profile houden.

Geen neonverlichting aan het raam om de automobilisten op de doorgaande weg te attenderen dat ze voor een psychisch consult bij jou terechtkunnen. Een apart naambordje naast de voordeur mag dan weer wel. 

Niet alle beroepsgroepen mogen vanuit thuis werken

Als je geen vrij beroep hebt, dien je altijd eerst toestemming te vragen bij de gemeente om een bedrijf aan huis te starten.

De gemeente zal dan het bestemmingsplan moeten aanpassen of ontheffing aanvragen. Dit beleid kan overigens per gemeente verschillen. 

Verder hangt het af van het soort beroep dat je uitoefent. Tegen een kleinschalige webshop zal niet veel bezwaar zijn, de eerder genoemde timmerman zal toch echt een externe werkplaats moeten huren.

Als je ontheffing krijgt, gelden de hierboven genoemde regels: je mag dus maximaal 1/3 van jouw woonruimte gebruiken voor je bedrijf. En dus niet van jouw huis een kantoorpand maken om vervolgens bij je partner te gaan wonen.

Nu zijn er natuurlijk altijd ondernemers die deze regels aan hun laars lappen of geen toestemming aan de gemeente vragen.

Dat is uiteraard voor eigen risico, maar als de buren gaan klagen – bijvoorbeeld over geluidsoverlast of omdat jouw klanten alle parkeerplaatsen in de straat gebruiken - kan de gemeente in het uiterste geval jouw bedrijf sluiten.  

Thuiswerken in een koop- of huurhuis 

Of je nu vanuit een koop- of huurhuis onderneemt, dat maakt op zich niet uit. Het enige verschil tussen koop of huur zit hem in de fiscale afhandeling.

Bij een huurhuis wordt de oppervlakte van de werkruimte naar rato van de huursom berekend, bij een koophuis kijkt de fiscus naar een deel van de koopsom en heb je ook nog met hypotheekrenteaftrek te maken.

Benut de fiscale voordelen

Zoals bij alle ondernemingen kun je als je extern bedrijfsruimte huurt of koopt, deze kosten aftrekken als bedrijfskosten. Als je vanuit huis werkt, geldt dit in principe niet.

Er zijn uitzonderingen mogelijk, maar dan moet het werkgedeelte een aparte opgang hebben en volledige eigen (sanitaire) voorzieningen hebben, zodat de fiscus dit als een bedrijfspand ziet.

Daar komt bij dat het grootste deel van je inkomen ook daadwerkelijk in dit kantoor verdiend moet worden. De Belastingdienst heeft een goede tool ontwikkeld om te checken of dit op jouw woning van toepassing is. 

De kosten voor de inrichting van de werkruimte zijn in de meeste gevallen ook niet aftrekbaar. De inventaris (bureau, stoel, lamp), het schilderwerk en energiekosten komen dus allemaal voor eigen rekening.

De apparaten die je gebruikt voor je werk vallen dan weer wel onder bedrijfskosten. Een laptop, koptelefoon, printer, telefoon of vakliteratuur is fiscaal aftrekbaar.  

Bron: ikgastarten.nl

Bijtelling privégebruik auto

22-08-2017

Als u jaarlijks meer dan vijfhonderd privékilometers rijdt in een auto die tot het ondernemingsvermogen behoort, moet u in de inkomstenbelasting een bijtelling betalen. Ook werknemers aan wie een lease-auto voor privégebruik ter beschikking wordt gesteld door de werkgever, betalen deze bijtelling. 

De bijtelling voor privégebruik is afhankelijk van de geldende tarieven op het moment waarop het eerste kenteken van de auto is afgegeven. Dit percentage is voor auto’s op kenteken gezet tussen 1 juli 2012 en 31 december 2016 vervolgens zestig maanden van toepassing. Vanaf 1 juli 2017 is de termijn verlopen voor de eerste auto’s die na 1 juli 2012 op kenteken zijn gezet. De bijtelling wordt dan voor die auto´s gesteld op 25% van de aanschafkosten.

De gevolgen zijn vooral groot voor hybride auto´s. Deze auto´s vielen in een laaf tarief, bijvoorbeeld 14%, en zullen na de 60-maandentermijn rekening moeten houden met een bijtelling van 25%. Voor volledig elektrische auto´s gelden verschillende uitzonderingen. Toch kan ook het bijtellingspercentage voor deze auto wijzigen. 

Aan de hand van onderstaande voorbeelden zullen we de nieuwe situaties verduidelijken.

Situatie 1: Auto ter beschikking gesteld voor 1 juli 2012

Is de auto ter beschikking gesteld vóór 1 juli 2012 dan geldt er geen 60-maanden termijn. Zolang de auto niet wisselt van eigenaar of terbeschikkinggestelde geldt de onafgebroken kortingsregeling. Geniet je een korting op het 25% tarief, dan blijft deze gelden. Echter, deze onafgebroken kortingsregeling wordt beperkt door het overgangsrecht (Horizonbepaling 2017). De korting vervalt ingaande 1-1-2019.

Voorbeeld: auto op kenteken 30 juni 2012
De bijtelling bedraagt 14% (25% -/- 11% korting). De korting mag uiterlijk worden toegepast tot en met 31-12-2018.

> Bijtelling t/m 2018: 14%
> Bijtelling vanaf 2019: 25%

Situatie 2: Auto ter beschikking gesteld op of na 1 juli 2012

Is de auto ter beschikking gesteld op of na 1 juli 2012 dan geldt de 60-maanden termijn wel. De toe te passen korting geldt dan 60 maanden. Aan het eind van die 60 maanden moet je aan de hand van de dan geldende wetgeving opnieuw bepalen of er een korting van toepassing is. Is dat niet het geval, dan geldt op basis van het overgangsrecht (Horizonbepaling 2017) het percentage van 25%.

Voorbeeld: auto op kenteken 1 juli 2012: 
De bijtelling bedraagt 14% (25% -/- 11% korting). Op 1 juli 2017 heeft de auto op basis van de CO2-uitstoot grenzen in 2017 geen recht meer op korting.  

> Bijtelling t/m 30 juni 2017: 14%
> Bijtelling vanaf 1 juli 2017: 25%

Situatie 3: Auto ter beschikking gesteld op of na 1 januari 2017

Het maximum tarief voor auto’s op of na 1 januari 2017 is 22%. Dit is ook het uitgangspunt bij het verstrijken van de 60 maanden termijn in de toekomst.

> Met CO2 uitstoot: 22%
> Zonder CO2 uitstoot: 4%

Bron: Salarisnet

 

Onbetaalde facturen: zoveel geld laat je liggen

15-08-2017

Een klant die te laat betaalt, klinkt op het eerste oog onschuldig. Maar elke dag dat een factuur te lang openstaat, verlies je geld. Onbetaalde facturen kosten meer dan je denkt. Lees verder wat je hieraan kunt doen.

Door het saldo van de debiteuren te verminderen, kun je bijvoorbeeld leveranciers eerder betalen en heb je minder geld van de bank nodig. Dit geld kun je dan steken in de groei van je bedrijf. De meerderheid van alle mkb'ers die kampen met wanbetalers schrijft jaarlijks af op vorderingen. Hoeveel geld ze mislopen, weet een groot deel van de ondernemers niet eens. Maar de bedragen lopen op van enkele honderden tot duizenden euro's per maand. 

De praktijk laat zien dat ondernemers te veel vertrouwen hebben in hun klanten. Ze gaan er onterecht vanuit dat die betaling wel goedkomt. En dat is onverstandig, want de gevolgen van onbetaalde rekeningen en oplopende betaalachterstanden kunnen enorm zijn. Bij startende bedrijven is 35 procent van de faillissementen zelfs het gevolg van slecht debiteurenbeheer.

Snel factureren levert direct geld op

Klanten te veel betalingsruimte geven zorgt ervoor dat ondernemers geld mislopen. Verbetering van het debiteurenbeheer kan dus direct winst opleveren. Hoeveel? Dat is maar net hoe je het bekijkt. Als ondernemer zal je er rekening mee moeten houden dat je niet altijd je geld krijgt. Dat hoort nu eenmaal tot het ondernemersrisico. 

Maar elke dag dat een factuur minder lang openstaat, levert direct geld op. Dat bedrag is te achterhalen door te kijken naar het aantal dagen dat facturen van een bedrijf gemiddeld openstaan: het Days Sales Outstanding (DSO).

Hoeveel geld laat je liggen?

Het gemiddelde DSO in Nederland is 48 dagen. Dit is al aan de hoge kant, maar bij mkb'ers ligt het gemiddelde nog veel hoger, namelijk op zo'n 80 dagen. Voor hen hanteren we daarom de vuistregel dat een DSO tot 50 dagen acceptabel is. Blijven facturen langer onbetaald, dan is het zinvol om het debiteurenbeleid aan te scherpen en kritisch te kijken naar de klanten waarmee je zaken doet. 

Het eigen DSO is uit te rekenen met de volgende formule:

(Openstaand bedrag / Omzet) x 365 = DSO

1200 euro op jaarbasis

Stel, een bedrijf heeft een omzet van 1.000.000 euro en een openstaand saldo van 200.000 euro. Dan heeft dit bedrijf dus een DSO van 72 dagen. Ervan uitgaande dat dit bedrijf leent tegen 6 procent bij de bank, dan kost de DSO 12.000 euro aan rente op jaarbasis. Dit is 166 euro per dag.

Op het moment dat dit bedrijf er in slaagt een DSO-verlaging van 10 procent te bereiken in 12 maanden, levert dit aan rentewinst 1200 euro op jaarbasis op. Het levert het bedrijf daarnaast ook een sterke cashflowverbetering op. Namelijk 10 procent van 200.000 euro is 20.000 euro cashflow positieverbetering. 

Conclusie: De DSO verlagen met 10 procent levert dit voorbeeldbedrijf op jaarbasis het volgende op:

  • 1200 euro meer winst
  • 20.000 euro verbetering cashflow

Je DSO verlagen kost tijd. Je debiteurenbeheer pas je niet van vandaag op morgen aan. Het is belangrijk om te beginnen bij het op papier zetten van heldere betaalafspraken met de klant, het op tijd en goed factureren tot aan een duidelijk opvolgbeleid als je klant niet heeft betaald.

Bron: Sprout

Testament voor samenwoners?

08-08-2017

Als ongehuwde partners al jarenlang op hetzelfde woonadres staan ingeschreven en een gemeenschappelijke huishouding voeren, zijn ze dan ook erfgenamen van elkaar? Wat zegt de wet? Wat is goed om te weten? Wat is raadzaam?

Praktijkvoorbeeld:

Wim en Trees wonen al ruim dertig jaar samen. Ze zijn ongehuwd en hebben geen kinderen. Omdat ze vertrouwen hebben in hun goede relatie, vinden ze het niet nodig om iets op papier te zetten. Mocht de relatie al spaak lopen, dan komen ze er onderling wel uit.

Wim is DGA van een BV. Hij heeft de onderneming overgenomen van zijn overleden vader, maar sindsdien heeft hij ruzie met zijn broers en zussen. Die vinden dat hij het bedrijf goedkoop heeft gekregen. Daarom hebben ze alle contact met hem verbroken. 

Sinds Wim de onderneming heeft overgenomen, maakt de BV elk jaar winst. Daarvan heeft Wim een bedrijfspand aangekocht en een woonhuis laten bouwen. Ook heeft Wim zowel voor zichzelf als voor Trees een nieuwe auto gekocht. Samen kunnen ze er goed van leven. Dat zijn familie daar problemen mee heeft, is jammer voor hen, maar daar zit hij niet mee. 

Geen erfgenaam

Dan overlijdt Wim plotseling. Omdat ze niet getrouwd waren, is Trees niet automatisch zijn enige erfgename. Daarvoor had Wim een testament moeten maken. Maar dat heeft hij niet gedaan. Ook is er bij de notaris geen samenlevingsovereenkomst opgesteld met een verblijvingsbeding voor gemeenschappelijke goederen, bankrekeningen, vervoermiddelen, het woonhuis en de inboedelgoederen.

Als iemand ongehuwd overlijdt zonder achterlating van afstammelingen en zonder een testament te hebben gemaakt, dan bepaalt de wet wie zijn erfgenamen zijn. In dit geval zijn dat de broers en zussen van Wim met wie hij al jarenlang ruzie heeft en met wie hij nooit meer contact heeft gehad. 

Twee dagen na zijn overlijden staan de broers en zussen van Wim bij Trees op  de stoep met het vriendelijke doch dringende verzoek om het pand zo snel mogelijk te verlaten. Ze mag alleen haar eigen kleding en persoonlijke sieraden meenemen. Het woonhuis, de bankrekeningen, de auto's en de inboedel zijn eigendom van de gezamenlijke erfgenamen en hetzelfde geldt voor het bedrijfspand en de BV-aandelen.

Nut van een testament

Wim had deze problemen voor Trees vrij eenvoudig kunnen voorkomen door een testament te maken waarin hij haar tot zijn enig erfgename had benoemd. Zijn broers en zussen hadden dan buitenspel gestaan.

Trees kan dan een beroep doen op de hoge erfbelastingvrijstelling (2017: € 638.089,-) zoals die ook geldt voor gehuwden.

Mocht Trees geen interesse hebben in het voeren van de onderneming, dan had Wim in het testament een legaat kunnen opnemen voor de BV-aandelen en het bedrijfspand ten gunste van zijn beoogde bedrijfsopvolger. In zo'n legaat kan worden bepaald dat de bedrijfsopvolger de waarde moet verrekenen met Trees (met een gunstige betalingsregeling!). Dan was Trees niets tekortgekomen en was de continuïteit van de onderneming gewaarborgd.

Bron: Tips & Advies - Belastingen

 

Zelfs zonder zekerheid geen onzakelijke lening

25-07-2017

Het leerstuk van de onzakelijke lening speelt de laatste jaren fiscaal een grote rol. Het gaat dan om leningen tussen gelieerde partijen zonder 'zakelijke' voorwaarden. De rechter heeft hierover onlangs een interessante uitspraak gedaan.

In deze zaak voor het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29-11-2016 gaat het om een moedermaatschappij die een belang van 25% houdt in een andere BV. Deze dochter-BV houdt zich bezig met projectontwikkeling. Er is grond aangekocht waarop een hotel moet verrijzen. De financiering hiervan is deels door de aandeelhouders en deels door de bank opgebracht.

Omdat het project maar niet van de grond wil komen, besluit de moedermaatschappij haar vordering deels af te waarderen. Zij is van mening dat het aannemelijk is dat deze niet meer (geheel) zal worden terugbetaald. Daarbij speelt tevens mee dat de economische crisis in de vastgoedwereld inmiddels hard heeft toegeslagen. 

Standpunt inspecteur

De inspecteur accepteert deze afwaarderingen niet. Naar zijn mening is er allereerst sprake van een onzakelijke lening. De lening is namelijk verstrekt zonder dat de dochter-BV hiervoor zekerheid (hypotheek- of pandrecht) heeft verleend. Bovendien is ieder jaar de rente op de lening bijgeschreven. Daarnaast zou er volgens de inspecteur geen reden zijn tot afwaarderen omdat het project nog steeds loopt en dit op termijn wel degelijk nog winstgevend kan worden.

Er is sprake van een onzakelijke lening als er tussen gelieerde partijen een lening is aangegaan met dusdanige voorwaarden dat een onafhankelijke derde deze niet (onder dezelfde voorwaarden) had willen verstrekken, zelfs niet tegen een hogere rentevergoeding. Het gevolg van de kwalificatie als onzakelijke lening is dat de schuldeiser deze niet ten laste van zijn winst kan afwaarderen. Hij heeft namelijk deze 'zachte' leningsvoorwaarden uit hoofde van zijn gelieerdheid/aandeelhouderschap toegestaan.

Wat zegt de rechter?

Het hof concludeert dat er geen sprake is van een onzakelijke lening. De bewijslast hiervoor ligt bij de inspecteur. Hij is er onvoldoende in geslaagd om aan te tonen dat een onafhankelijke derde deze lening niet zou willen verstrekken. Mede vanwege de toenmalige gunstige marktomstandigheden in de vastgoedsector was dit niet ondenkbaar. 

De afwaardering wordt echter toch niet toegestaan. De rechter is het namelijk met de inspecteur eens dat er nog redelijke vooruitzichten zijn op terugbetaling.

Commentaar

Als u op dit moment betrokken bent in een discussie omtrent een onzakelijke lening, dan is het belangrijk u te realiseren dat de bewijslast bij de inspecteur ligt. Hij moet aantonen dat een onafhankelijke derde eenzelfde lening niet zou hebben willen verstrekken. Zoals uit deze uitspraak blijkt, is dat niet altijd eenvoudig. Het ontbreken van bijvoorbeeld een zekerheidsrecht lijkt onzakelijk, maar hoeft dat niet altijd te zijn. Als de bank ook een lening wil verstrekken, maar u besluit dit binnen uw concern te financieren, leg dit dan goed vast. Dit kan u helpen in een mogelijk latere discussie met de inspecteur.

Bron: Tips & Advies - Belastingen

Veel per kas, grote controlegevolgen voor BV en DGA

11-07-2017

Wat speelde er laatst bij de belastingcontrole van een BV, waarbij betalingen vaak en voor grote bedragen per kas (contant) plaatsvonden? Hoezo kreeg deze controleaandacht van de Belastingdienst grote gevolgen voor de DGA?

In een procedure voor het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ging het om een BV die bemiddelt tussen varkensslachterijen en uitzendbureaus in Duitsland. Naar eigen zeggen huurt men personeel in van de uitzendbureaus en verhuurt men deze mensen vervolgens aan de slachterijen.

De facturen aan de slachterijen lopen via de bank. De betalingen aan de uitzendbureaus vinden echter volgens de administratie contant plaats. De toch aanzienlijke bedragen worden niet giraal voldaan en zijn zodoende moeilijk te traceren. 

Belastingcontrole

Naar aanleiding van een gerechtelijke strafprocedure in Duitsland naar de DGA van de BV start de Nederlandse fiscus een boekenonderzoek. Daar concludeert zij dat deze kasbetalingen niet goed worden vastgelegd. Er is geen deugdelijke kasadministratie.

Bovendien constateert de fiscus dat de inkoopfacturen van de uitzendbureaus naar alle waarschijnlijkheid vervalst zijn. Waarschijnlijk heeft de DGA zo geprobeerd zijn winst in de BV te beperken en zijn de kasbetalingen ten goede gekomen aan zijn eigen portemonnee.

De fiscus stelt in ieder geval vast dat er niet is voldaan aan de administratieplicht. Dit heeft tot gevolg dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. Het is nu aan de BV om overtuigend aan te tonen dat hetgeen door de fiscus wordt gesteld niet klopt.

Bovendien kan een gebrekkige administratie ook een reden zijn om bestuurdersaansprakelijkheid in te roepen. Als de BV de navorderingsaanslagen niet kan voldoen, zal de fiscus proberen de DGA hiervoor in privé aansprakelijk te stellen. Een ondeugdelijke administratie is een sterk argument dat hij niet heeft voldaan aan zijn bestuurlijke plichten.

De rechter stelt de fiscus in het gelijk. niet alleen worden de navorderingsaanslagen voor in totaal zo'n € 200.000,- gehandhaafd, daarnaast staat de rechter toe dat de fiscus hierop een vergrijpboete van 80% berekent. Concreet zal dit betekenen dat de BV failliet gaat. De fiscus heeft sterke middelen om deze belastingschuld vervolgens te verhalen op de DGA.

Deugdelijke kasadministratie

Deze uitspraak maakt wederom duidelijk dat een deugdelijke kasadministratie belangrijk is. Dit betekent allereerst dat er goed moet worden bijgehouden welke betalingen en ontvangsten er per kas plaatsvinden. Daarmee verband houdende kassabonnen, kwitanties en facturen moeten ook in de kasadministratie worden opgenomen.

Vervolgens moet u periodiek de stand van de kas controleren. Dit doet u door het in de kas aanwezig geld op te tellen en dit saldo te vergelijken met het saldo dat uit de kasadministratie volgt. Uiteraard moeten deze twee bedragen aan elkaar gelijk zijn. Leg deze controle vast in uw kasadministratie zodat u hiermee later aan de fiscus kunt aantonen 'in control' te zijn.

Bron: Tips & Advies - Belastingen

Levert slordige rittenstaat boete op?

27-06-2017

Als u onder de bijtelling voor de auto van de zaak uit wilt komen, is een sluitende rittenstaat vrijwel altijd noodzakelijk. Wat besliste de rechter hierover?

Om onder de bijtelling voor de auto van de zaak uit te komen, is een sluitende rittenadministratie welhaast onvermijdelijk, maar niet wettelijk voorgeschreven. Wat als die rittenstaat niet deugt? Kunt u dan alleen een naheffing verwachten of ook een forse boete?

Een BV ontving een forse naheffing van bijna € 75.000,- met een boete van bijna € 65.000,- vanwege het niet aangeven van de door de DGA gebruikte auto van de zaak. De DGA vocht de naheffing en boete aan tot bij de Hoge Raad. De DGA kon in dit geval niet bewijzen dat de auto door hem niet meer dan 500 kilometer privé was gebruikt. De rittenadministratie voldeed niet aan de fiscale eisen. Dit is weliswaar niet wettelijk vereist, maar dan zal op een andere wijze bewezen moeten worden dat de auto niet meer dan 500 kilometer privé is gebruikt. Hierin slaagde de DGA echter niet. De naheffing bleef dan ook in stand.

Volgens de rechters was een boete echter niet op zijn plaats. De rechters waren net als de inspecteur van mening dat de rittenadministratie slordig was, maar dit betekent nog niet dat er sprake was van opzet of grove schuld. Bovendien is een rittenadministratie niet wettelijk vereist en zou het in principe zelfs mogelijk zijn dat er niet meer dan 500 privékilometers met de auto waren gereden.

Het bijhouden van een goede rittenadministratie volgens de voorschriften van de fiscus is geen sinecure, alle technische hulpmiddelen die daarvoor heden ten dage aanwezig zijn ten spijt. Een fout is dan ook zo gemaakt en het is geruststellend te weten dat er dan niet automatisch een boete kan volgen. Dat kan alleen als de inspecteur hard kan maken dat er sprake is van opzet of grove schuld, hetgeen in de regel niet mee zal vallen. Dat u slordig bent met uw rittenstaat, is dus onvoldoende. Uiteraard blijft rechtovereind dat iemand die bewust sjoemelt door bijvoorbeeld een privé-rit als zakelijk aan te merken, nog steeds een forse boete kan verwachten. Maar dat is dan ook terecht! 

Bron: Tips & Advies - Belastingen

Duits inkomen behoort tot bijdrage ZVW-inkomen

20-06-2017

Voor een in Nederland woonachtige gepensioneerde behoren Duitse pensioenuitkeringen tot het bijdrage-inkomen voor de Zorgverzekeringswet.

Een man ontving een Duits pensioen en hij had recht op een Deutsche Rentenversicherung. Hij ontving bovendien een AOW-uitkering. De man kreeg een aanslag premie Zorgverzekeringswet (Zvw). Deze aanslag was opgelegd op basis van de uit Duitsland ontvangen pensioenuitkering en de Rentenversicherung. De man was het niet eens met deze aanslag. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden was de aanslag Zvw tot het juiste bedrag opgelegd. De gepensioneerde was ingezetene van Nederland en daarom op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (oud) in Nederland verzekerd voor voornoemde wet. Hij was daarmee ook verzekerd en premieplichtig voor de Zvw. In internationale verhoudingen is Nederland bevoegd om de Duitse inkomsten Zvw-premies te heffen. Nederland had terecht het Duits pensioen en de Deutsche Rentenversicherung tot het bijdrage-inkomen voor de Zvw gerekend. Het hof heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

bron: Taxence

Mag het salaris worden overgemaakt op een andere bankrekening?

08-06-2017

Mag u het salaris overmaken op een bankrekening die niet op naam staat van de werknemer? Nee! Ook niet als u een kopie van de bankpas van die betreffende rekening kunt overleggen.

Waarom mag het salaris niet worden overgemaakt op een andere rekening?

Op grond van de Wet Aanpak Schijnconstructies (WAS) bent u per 1 januari 2016 verplicht om het salaris van uw medewerker over te maken op een bankrekening die (ook) op naam van deze werknemer staat. Alleen op deze manier is wettelijk vast te stellen dat minimaal het wettelijk minimumloon aan de werknemer is betaald. Dit geldt overigens ook bij voorschotten.

Als u deze wet niet naleeft kunt u als werkgever een zeer hoge boete krijgen.

Waarom een kopie van de bankpas?

Om ervoor te zorgen dat u als werkgever geen boetes krijgt, moet u uw werknemers vragen om een kopie bankpas. Dit is de meest efficiënte manier om vast te leggen dat het opgegeven rekeningnummer daadwerkelijk op naam staat van de werknemer. Als de werknemer dit op een andere manier kan aantonen is dat natuurlijk ook goed.

Procedure indiensttreding

Wij adviseren u de procedure bij indiensttreding aan te passen zodat bij het aanleggen van het personeelsdossier een kopie van de bankpas gelijk met de kopie van het paspoort wordt gevraagd. Zo kunt u direct controleren of de bankrekening (ook) op zijn naam staat.

De volgende wetsartikelen tonen aan waarom deze controle zo belangrijk is.

Artikel 7a Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag

"In afwijking van artikel 620 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek geschiedt de voldoening van het verschuldigde minimumloon door girale betaling overeenkomstig artikel 114 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek."

Uit dit artikel is op te maken dat u verplicht bent het salaris per bank over te maken.

Artikel 114 van het Burgerlijk Wetboek Boek 6

"Bestaat in een land waar de betaling moet of mag geschieden ten name van de schuldeiser een rekening, bestemd voor girale betaling, dan kan de schuldenaar de verbintenis voldoen door het verschuldigde bedrag op die rekening te doen bijschrijven, tenzij de schuldeiser betaling op die rekening geldig heeft uitgesloten."

Lees: schuldeiser = werknemer en schuldenaar = werkgever. Uit dit artikel is op te maken dat de rekening op naam moet staan van de werknemer.

Artikel 18b Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag

"Als overtreding wordt aangemerkt: 

a. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot girale voldoening van het minimumloon, bedoeld in artikel 7 en 7a;"

Artikel 18f Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag

"De bestuurlijke boete die voor een overtreding kan worden opgelegd bedraagt ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht."

Hieruit is op te maken dat het niet nakomen van deze wet een strafbaar feit is in de vijfde categorie. Dat is niet niks! De boete kan oplopen tot 82.000 euro!

Bron: Salarisnet

Handhaving wet DBA verder uitgesteld

01-06-2017

De handhaving van de wet DBA is verder uitgesteld. Opdrachtgevers en zzp'ers krijgen tot 1 juli 2018 geen naheffingen en boetes.

Huurt een opdrachtgever een zzp'er in? En constateert de Belastingdienst achteraf dat er sprake is van een dienstbetrekking? Dan krijgen zij tot in ieder geval 1 juli 2018 geen naheffingen en boetes, tenzij zij kwaadwillend zijn. Wie de Belastingdienst als kwaadwillend ziet, leest u hier.

Arbeidswetgeving onder de loep genomen

De handhaving van de wet DBA is eerder al uitgesteld tot 1 januari 2018. Op die manier heeft het kabinet de tijd om te onderzoeken hoe het arbeidsrecht aangepast kan worden om beter aan te sluiten bij de praktijk. 

Op 22 mei heeft demissionair minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Asscher de resultaten van het onderzoek aangeboden aan informateur Schippers: het rapport 'Onderzoek varianten kwalificatie arbeidsrelatie'. De onderhandelaars kunnen dit onderzoek gebruiken bij de besprekingen over de kabinetsformatie. Ook de Tweede Kamer heeft dit rapport gekregen.

Nieuwe kabinet beslist

In het onderzoeksrapport staan een aantal voorstellen voor de verdere uitwerking van de wet DBA. Het is aan het nieuwe kabinet om daar keuzes in te maken. In ieder geval moeten opdrachtgevers en opdrachtnemers voldoende tijd krijgen om hun werkwijze zo nodig aan te passen. Daarom heeft demissionair staatssecretaris van Financiën Wiebes besloten de handhaving van de wet DBA opnieuw uit te stellen.

Meer informatie over de wet DBA?

Voor meer informatie kunt u onder meer terecht op www.belastingdienst.nl/dba

Bron: NOAB

Opbouw pensioen in eigen beheer stoppen

29-05-2017

Het stopzetten van de verdere opbouw van het pensioen in eigen beheer moet u vastleggen in een aandeelhoudersbesluit. Bovendien moet uw pensioenbrief hierop worden aangepast. Dit moet voor 1 juli 2017 geregeld worden. 

Onlangs is de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen aangenomen door de Eerste Kamer. In december 2016 werd deze wet nog in de ijskast gezet na geruchten over een mogelijk lek hierin. Nadat bleek dat dit allemaal wel meevalt, is de wet alsnog aangenomen. Deze wet is per 1 april 2017 in werking getreden. Deze nieuwe wet bestaat uit feitelijk twee delen. Allereerst wordt het pensioen in eigen beheer afgeschaft. Dit betekent dat verdere opbouw van een pensioenvoorziening binnen uw eigen BV niet langer mogelijk is. Daarnaast zijn er een aantal mogelijkheden aan de hand waarvan de reeds opgebouwde pensioenvoorziening kan worden 'uitgefaseerd'.

Stopzetten opbouw

Pensioenopbouw binnen uw eigen BV is dus met ingang van 1 april 2017 niet langer mogelijk. Dit betekent dat u verdere opbouw van uw pensioenrechten moet stopzetten. Dit doet u door dit vast te leggen in notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders. Bovendien moet uw pensioenbrief hierop worden aangepast. Stopt u de pensioenopbouw niet tijdig, dan heeft u een fors fiscaal probleem. Uw pensioen in eigen beheer wordt daarmee namelijk bovenmatig. Dit betekent dat de gehele pensioenvoorziening ineens zal worden belast. Daarbij wordt uitgegaan van de commerciële waarde en niet de fiscale waarde die meestal op de balans staat vermeld. Hierbij wordt het belastingtarief ook nog verhoogd met 20% revisierente. U betaalt zodoende hierover 72% (!) belasting.

Het stopzetten van de verdere opbouw van het pensioen in eigen beheer moet plaatsvinden voor 1 juli 2017. U moet dus in de komende maand zeker actie ondernemen.

Drie mogelijkheden

Na het stopzetten van de verdere pensioenopbouw heeft u drie mogelijkheden:

  • Aanhouden van de huidige pensioenvoorziening;
  • Omzetten van de pensioenvoorziening in een oudedagsvoorziening;
  • Afkopen met korting.

Deze laatste optie is fiscaal veelal het aantrekkelijkst, zeker als u ook over andere pensioenuitkeringen beschikt. U zult wel over voldoende liquiditeiten moeten beschikken om de hierdoor verschuldigde loonbelasting af te kunnen dragen. Afkoop is zowel mogelijk bij ingegane als bij nog niet ingegane pensioenen in eigen beheer.

Als u de afkoop in 2017 uitvoert, dan krijgt u een korting van maar liefst 34,5%. Deze korting daalt in 2018 naar 25% en bedraagt in 2019 nog 19,5%. Vanaf 2020 is het niet meer mogelijk om uw pensioenvoorziening met korting af te kopen.

Stel, u heeft in uw BV een pensioenvoorziening met een fiscale waarde van € 250.000,-. Deze wilt u in 2017 afkopen. Dit betekent dat hierover € 250.000,- x 65,5% x 52% = € 85.150,- aan belasting moet worden betaald. Als DGA heeft u dus recht op een uitkering van € 164.850.-. De effectieve belastingdruk bedraagt dus zo'n 34%.

Bron: Tips en Advies - Belastingen 

Hypotheekrente lang vastzetten of niet?

16-05-2017 

De huidige hypotheekrente staat nog steeds op een zeer laag niveau. In het algemeen wordt verwacht dat deze eerder zal stijgen dan dalen. Huiseigenaren kiezen bij een nieuwe renteafspraak echter vaak voor een lange rentevastperiode, omdat ze denken dan zeker te zijn van een langdurige periode van stabiele woonlasten. Bij een langere rentevastperiode passen financiers echter een hogere renteopslag toe. Een 10-jaarrente is momenteel 0,7% lager dab een 20-jaarsrente. In de praktijk woont de gemiddelde eigenaar echter nog geen 20 jaar in zijn of haar woning. De gemiddelde doorhaaltijd (opheffing hypotheek) bedraagt circa 11 tot 13 jaar (bron: CBS). Het niet volmaken van de renteperiode kost dan geld.

Voorbeeld: stel dat u een annuïteitenhypotheek afsluit van €150.000 met een 20-jaarsvaste rente van 2,4%. De 10-jaarsrente bij dezelfde bank bedraagt op dit moment 1,8%. Na 10 jaar besluit u te verhuizen en u verkoopt uw huidige woning. Daarmee lost u de hypotheek af. Gedurende deze 10 jaar heeft u bijna € 32.000 aan rente betaald. Zou u de hypotheek voor 10 jaar hebben vastgezet, dan zou u € 24.000 aan rente hebben betaald. De besparing in uw rentelast had u kunnen gebruiken om uw hypotheekschuld sneller af te lossen.

Verhuisregeling
Sommige afspraken over hypotheekrente kunnen worden meeverhuisd naar de nieuwe woning. Maar daar horen wel voorwaarden bij die in veel gevallen niet bekend zijn bij de hypotheekgever. Informeer daarom bij uw hypotheekverstrekker of het mogelijk is om de huidige lage rente mee te nemen naar een nieuwe woning. Is het niet mogelijk om de lage rente mee te verhuizen, dan heeft u bij een voortijdige verhuizing de eerste jaren onnodig veel hypotheekrente betaald. Dat tarief is immers gebaseerd op een langere rentevastperiode.

Tip
Laat u bij het maken van een renteafspraak goed infomeren over de voor- en nadelen van een lange rentevastperiode.

Bron: Fiscount

Op kosten van de zaak uit eten

04-05-2017

Zakelijke kosten zijn voor uw BV fiscaal aftrekbaar. Wat heeft de rechter onlangs beslist over de zakelijkheid van etentjes buiten de deur? Wat speelde er?

Dat ook adviseurs fouten maken op fiscaal gebied blijkt uit een recente uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. In deze zaak gaat het om de administratie van een administratie- en belastingadviesbureau zelf. Tijdens een boekenonderzoek valt op  dat er een grote post verkoopkosten in de winst- en verliesrekening is opgenomen. Deze bedroeg namelijk bijna € 14.000,-. Nader onderzoek wijst uit dat deze verkoopkosten geheel bestaan uit etentjes in restaurants van cliënten. 

De inspecteur vindt € 14.000,- wat al te gortig. Mede omdat de adviseur geen enkel inzicht geeft in het zakelijke karakter van deze uitgaven. Als gevolg daarvan stelt de inspecteur voor om slechts 25% van deze uitgaven als zakelijk aan te merken. Het andere deel (75%) wordt zodoende als privé-uitgave aangemerkt en mag niet in de winstberekening van de onderneming worden meegenomen.

Uiteindelijk komt de zaak voor het hof. Het is aan de adviseur om de zakelijkheid van deze uitgaven aan te tonen. Dit probeert hij door te stellen dat hij regelmatig bij zijn cliënten gaat eten. Dit combineert hij dan met het uitwisselen van stukken met de cliënten. Ook nieuwe cliënten zouden tijdens deze etentjes geworven zijn. Een concrete onderbouwing hiervan ontbreekt echter. Het hof oordeelt dat dit te mager is en stelt de inspecteur in het gelijk. De kosten mogen maar voor 25% als zakelijk worden opgevoerd. Vervolgens geldt hiervoor natuurlijk ook nog de aftrekbeperking voor gemengde kosten. Gevolg is dat (in 2017) slechts 73,5% van die 25% daadwerkelijk als bedrijfskosten aftrekbaar zijn voor een BV.

Wat kunt u leren van deze uitspraak? Het is belangrijk om goed vast te leggen met wie en waarvoor u dineert. Schrijf achterop de bon uw tafelgenoten en hun zakelijke connectie met u. Dit zorgt ervoor dat u achteraf duidelijk kunt aantonen dat de gemaakte kosten zakelijk zijn en niet als privé-uitgaven hoeven te worden aangemerkt.

bron: Tips en Advies - Belastingen

Vaker recht op aftrekposten voor buitenlands belastingplichtigen

31-03-2017

Een buitenlandse belastingplichtige kan soms in zijn Nederlandse belastingaangifte de hypotheekrente voor zijn buitenlandse eigen woning als aftrekpost opvoeren. Het Europese Hof heeft deze regeling onlangs verruimd. Hoe zit dat?

Buitenlandse eigen woning

Als u in het buitenland woont en inkomen uit Nederland heeft, kunt u in bepaalde situaties in uw Nederlandse aangifte inkomstenbelasting een aftrek claimen voor hypotheekrente die u betaalt voor uw buitenlandse eigen woning. 

Daarvoor gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:

  • u moet de woning in het buitenland als hoofdverblijf gebruiken; en
  • u mag niet in het land waar u woont genoeg inkomen hebben om al een aftrek voor de hypotheekrente te kunnen claimen.

De 90%-eis

Vanaf 2015 kunt u een aftrek claimen voor de hypotheekrente van een buitenlandse woning als u over minimaal 90% van uw wereldinkomen in Nederland belasting betaalt. In dat geval wordt u namelijk hetzelfde behandeld als een inwoner van Nederland en kunt u dus ook een aftrek krijgen voor de in het woonland betaalde hypotheekrente. Voorwaarde is dan wel dat u (of uw partner) in uw woonland geen aftrek kunt claimen. Bovendien moet u een inkomensverklaring inleveren bij de Nederlandse Belastingdienst waarin de belastingdienst uit uw woonland verklaart dat u aan de 90%-eis voldoet.

Nederland heeft deze regeling ingevoerd naar aanleiding van het Schumacker-arrest. Op grond hiervan is het werkland namelijk verplicht om rekening te houden met de persoonlijke situatie als het woonland dat niet kan omdat men daar niet genoeg inkomen verdient.

Minder dan 90%

Onlangs heeft het Europese Hof van Justitie, 09.02.2017 (EU:C:2017:102), geoordeeld over de situatie van een inwoner van Spanje die over 60% van zijn wereldinkomen in Nederland belasting betaalde. Deze man verdiende de overige 40% van zijn inkomen in Zwitserland en betaalde daar belasting over deze 40%. In Spanje betaalde hij dus geen belasting, maar had hij wel een eigen woning met hypotheek. Hoewel de man niet aan de voorwaarden voldeed, claimde hij in zijn Nederlandse aangifte een aftrek voor de Spaanse hypotheekrente.

Het Europese Hof oordeelde dat Nederland niet mag toetsen of iemand over meer dan 90% van zijn inkomen belasting betaalt in Nederland, maar moet kijken of er in het woonland inkomen is dat belast wordt. Als dar er niet is en de hypotheekrente dus niet in het woonland in aftrek gebracht kan worden, dan moet Nederland de aftrek geven.

Als 60% van het inkomen in Nederland verdiend wordt, dan moet Nederland volgens het Europese Hof ook 60% van de aftrekpost toestaan. Ook als u in Nederland niet aan de 90%-eis voldoet, kan het verstandig zijn om goed naar uw fiscale situatie te (laten) kijken, om zeker te weten dat u geen aftrekposten misloopt. Als u in het woonland geen belasting betaalt, dan moet Nederland volgens het Europese Hof namelijk toch pro rata rekening houden met uw aftrekposten.

Bron: Tips en Advies - Belastingen

Schenken aan studerend kind

22-02-2017

Vanaf begin dit jaar kan men € 100.000,- ten behoeve van de eigen woning schenken zonder dat de begunstigde hierover schenkbelasting moet betalen. Maar ook studeren is tegenwoordig niet goedkoop. Zeker nu de studiefinanciering is vervangen door het sociaal leenstelsel. Er zijn gelukkig verschillende manieren waarop ouders belastingvrij kunnen bijdragen aan de studie van hun kind.

Ouders kunnen een financiële bijdrage verstrekken voor de studie van hun kind zonder dat het kind daarover schenkbelasting moet betalen. Dat geldt in ieder geval voor een bijdrage voor een reguliere studie als het kind nog geen 21 jaar is, of als het kind een studie volgt dat hij voor zijn 21ste jaar is begonnen. Het maakt daarbij overigens niet uit of de ouders het geld aan hun kind geven om de studie of de uitgaven voor levensonderhoud te bekostigen, of dat de ouders deze kosten zelf betalen. 

Als het kind 21 jaar of ouder is wanneer hij met een reguliere studie begint, kan er wel sprake zijn van een schenking. Echter, in de meeste gevallen zal geen schenkbelasting verschuldigd zijn. De betaling van studiekosten of kosten van levensonderhoud valt dan namelijk onder de schenkingsvrijstelling wegens het zogenoemde 'nakomen van een natuurlijke verbintenis'. Een door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) berekende ouderbijdrage voor de studie is overigens geen schenking.

Ouders mogen hun kinderen ook helpen met het aflossen van hun studieschuld. Dat kan belastingvrij door elk jaar € 5.320,- (in 2017) te schenken aan hun kind. Is dat niet voldoende? Dan mogen zij hun kind tussen de 18 en 40 jaar eenmalig een bedrag van € 25.526,- (in 2017) vrij van schenkbelasting schenken. Deze schenking hoeft geen specifiek doel te hebben.

Gaat het kind een dure studie of beroepsopleiding volgen? Dan mogen de ouders gebruikmaken van de eenmalige verhoogde schenkingsvrijstelling van € 53.176,- (in 2017). Aan deze vrijstelling zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • De studie of opleiding kost minstens € 20.000,- per jaar (exclusief levensonderhoud);
  • De schenking is vastgelegd in een notariële akte waarin staat:
    • Voor welke studie of opleiding de schenking is bedoeld;
    • Het bedrag van de verwachte kosten van de studie of opleiding;
    • Een ontbindende voorwaarde dat de schenking vervalt als het bedrag niet binnen twee jaar na het jaar van de schenking is besteed aan de vermelde studie of opleiding.
  • De ouders en het kind kunnen schriftelijk aantonen dat de schenking daadwerkelijk door de ouders is betaald en door het kind is gebruikt voor de opleiding of studie;
  • De schenking wordt niet aangewend voor de aflossing van schulden die al zijn aangegaan voor de financiering van een buitengewoon dure studie of opleiding voordat het kind de schenking kreeg.

Ouders mogen samen een bedrag belastingvrij schenken aan hun kind, zolang de som van de schenkingen niet hoger is dan het bedrag van de vrijstelling. Ook voor ouders die gescheiden zijn en allebei een schenking doen geldt dus dat de som van de schenkingen niet hoger mag zijn dan het bedrag van de vrijstellingen. 

Bron: Taxence

Erfpacht en eigen woning

08-02-2017

Als een hypotheeklening eigen woning is aangegaan op of na 1 januari 2013, is de rente alleen aftrekbaar als de lening in maximaal 30 jaar ten minste annuïtair wordt afgelost. 

Tot de aftrekbare kosten voor de eigen woning behoren ook de periodieke betalingen op grond van de rechten van erfpacht en opstal. De meest voorkomende erfpachtsituatie ziet op de grond, terwijl de opstal (eigen woning) eigendom is van de huiseigenaar. Voor het gebruik van de grond is vaak een periodieke vergoeding (canon) verschuldigd. De aftrekbaarheid van de periodieke canon voor grond blijft ook na 1 januari 2013 ongeschonden. Voorwaarde is wel dat de eigen woning (opstal) economisch eigendom blijft van de belastingplichtige. Dit bereikt men door op de eigen woning (de opstal) een recht van opstal te vestigen en op de grond het recht van erfpacht. De betaling van de canon voor het recht van erfpacht op de grond is gewoon aftrekbaar in box 1.

Voor de aftrekbaarheid van de canon geldt ook het aangepaste lagere tarief in box 1, net zoals bij de eigenwoningrente (2016: 50,5%). De afname is jaarlijks 0,5% tot de bodem van 38% is bereikt.

Ouders kopen woning voor kind

Een erfpachtconstructie kan worden gebruikt voor een (partiële) financiering van de eigen woning van kinderen door ouders. Stel, het kind heeft het oog laten vallen op een woning van € 300.000,-. De ouders kopen de woning en vestigen ten behoeve van het kind een erfpachtrecht op de grond. Voor de opstal (de eigen woning) krijgt het kind een recht van opstal. 

Het kind betaalt voor de erfpacht een jaarlijkse canon van € 5.000,-. Dit bedrag is aftrekbaar voor het kind (box 1) en bij de ouders onbelast (box 3). Anders dan bij een (hypothecaire) lening geldt voor de aftrekbaarheid van de canon dus geen aflossingseis. 

Voor de opstal betaalt het kind € 200.000,-. De financiering hiervan kunnen de ouders ook verstrekken met een (hypothecaire) lening. Voor de financiering daarvan geldt uiteraard wel de aflossingseis. De rente is aftrekbaar bij het kind in box 1, bij de ouders valt de lening in box 3. De ouders kunnen ook nog jaarlijks een deel van de rente schenken tot het bedrag van de vrijstelling (2017: € 5.320,-).

Grond in BV, eigen woning privé

Bij aankoop van een nieuwe eigen woning kan worden overwogen om de BV de grond te laten kopen en daarop een recht van erfpacht te vestigen. Bij aankoop van grond in de BV en de eigen woning in privé is de canonbetaling aftrekbaar in box 1. In de BV is de canon belast met vennootschapsbelasting (tot en met € 200.000,- tegen 20%, daarboven tegen 25%).

De BV kan de DGA vervolgens (gedeeltelijk) een (hypothecaire) lening verstrekken voor aankoop van de eigen woning (opstal) in privé. De rente is aftrekbaar in box 1 en in de BV belast tegen maximaal 25% vennootschapsbelasting.

Bron: Tips en Advies - Belastingen 

Waaraan dient een factuur te voldoen?

31-01-2017

Wanneer u goederen of diensten levert aan andere ondernemers of rechtspersonen die geen ondernemer zijn, zoals een vereniging of stichting, bent u verplicht een factuur mee te sturen. De uitgereikte factuur moet aan een aantal eisen voldoen. Dit geldt echter ook voor uw inkoopfacturen.

Zowel een inkoop- als een verkoopfactuur moet aan de factuurvereisten voldoen. U vermeldt in ieder geval altijd de volgende basisgegevens op uw verkoopfactuur:

  • Uw volledige naam en die van uw afnemer. U vermeldt de juridische naam. De handelsnaam mag ook, als die in combinatie met het adres en woonplaats bij de Kamer van Koophandel is geregistreerd. Bij fiscale eenheden is het gebruikelijk dat de naam van het onderdeel dat de prestatie levert op de factuur staat;
  • Uw volledige adres en dat van uw afnemer. U vermeldt het adres waar de onderneming feitelijk is gevestigd. Vermelding van alleen een postbusnummer is niet voldoende;
  • Uw btw-nummer. Bij fiscale eenheden is dat het btw-nummer van het onderdeel dat de prestatie levert;
  • Uw KvK-nummer;
  • De datum waarop de factuur is uitgereikt;
  • Een (uniek) opeenvolgend factuurnummer;
  • De aard van de goederen of diensten die u hebt geleverd;
  • De hoeveelheid van de goederen of de omvang van de diensten die u hebt geleverd;
  • De datum waarop de goederen of diensten zijn geleverd, of de datum van een vooruitbetaling;
  • Het bedrag dat u in rekening brengt, exclusief de btw. Levert u prestaties met verschillende btw-tarieven? Vermeld dan de aparte bedragen. Neem daarnaast de eenheidsprijs op, als dit van toepassing is;
  • Het btw-tarief dat u in rekening brengt;
  • Het btw-bedrag.

In sommige situaties gelden aangepaste regels voor facturen

Indien u als leverancier een niet volledige verkoopfactuur uitreikt, dan is er niet voldaan aan de factuurvereisten. Als de Belastingdienst dit ontdekt, dan kunt u een boete opgelegd krijgen. Deze boete kan oplopen tot € 5.278,-. Zorg er daarom voor dat u uw verkoopfactuur immer volledig opstelt en uitreikt.

Tevens brengt het risico's met zich mee wanneer er geen juiste inkoopfactuur in uw administratie aanwezig is. De Belastingdienst kan u dan het recht op vooraftrek van deze btw weigeren. De fiscus zal hier pas op overgaan, indien de inkoopfactuur meerdere gebreken bevat. Dus controleer ook de inkoopfacturen van uw leveranciers.

6% btw voor diensten Sinterklaas

6-12-2016

Uitvoeringen van acteurs voor publiek zijn belast met 6% btw. Daarom geldt voor een optreden als Sinterklaas ook het tarief van 6% btw. Dit kunnen optredens zijn voor zowel particulieren als voor bedrijven.

Ook als u een optreden als Sinterklaas organiseert waarvoor u een toegangsprijs vraagt, is dat belast met 6% btw. Dit zijn optredens waar de kinderen vaak ook een klein cadeautje en strooigoed krijgen. Hierbij geldt als voorwaarde dat de waarde van het cadeautje en  strooigoed relatief gering moet zijn ten opzichte van de hoogte van de toegangsprijs.  

Voor optredens en acteerprestaties van de Kerstman gelden dezelfde voorwaarden.

Bron: Belastingdienst

Aftrek gemengde kosten naar 80%

30-11-2016

De aftrek voor bepaalde algemene kosten gaat in 2017 omhoog van 73,5% naar 80%. De aanpassing van deze aftrek gaat echter alleen gelden voor ondernemers in de IB en resultaatgenieters.

Bepaalde zakelijke kosten worden in aftrek beperkt. In de wet is bepaald dat deze zogenoemde gemengde kosten tot een drempel van € 4.500 niet aftrekbaar zijn. Dit zijn kosten die te maken hebben met:

  • Voedsel, drank en genotmiddelen;
  • Representatie, waaronder recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak;
  • Congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke.

Naast het toepassen van de drempel mag er ook voor worden gekozen om 73,5% van deze kosten in aftrek te brengen. Deze opties gelden voor de IB-ondernemer alsmede de VPB-plichtige lichamen. Hier gaat echter verandering in komen. In het goedgekeurde Belastingplan 2017 is opgenomen dit percentage, voor de ondernemers in de inkomstenbelasting en resultaatgenieters, te verhogen naar 80%. Het percentage in de vennootschapsbelasting blijft 73,5%.

Bij het maken van de jaarrekening maken wij voor u(w) (onderneming) de fiscaal gunstigste keuze, óf we passen de drempel toe van € 4.500 óf brengen 73,5% (80% v.a. 2017) van deze kosten in aftrek. 

De bewaarplicht van digitale facturen

23-11-2016

U bent als ondernemer verplicht uw administratie zeven jaar te bewaren. Hierbij is het van belang dat de facturen controleerbaar zijn. Steeds meer facturen worden digitaal verstuurd. Hoe zorgt u ervoor dat deze voor de fiscus controleerbaar zijn?

Bewaartermijn

Iedere ondernemer is wettelijk verplicht zijn administratie in principe zeven jaar te bewaren. Deze termijn geldt in ieder geval voor de volgende basisgegevens:

  • het grootboek
  • de debiteuren- en crediteurenadministratie
  • de in- en verkoopadministratie
  • de voorraadadministratie
  • de loonadministratie

Voor gegevens met betrekking tot onroerende zaken geldt een afwijkende termijn. Deze gegevens moeten tien jaar bewaard blijven.

Daarnaast kunnen er ten aanzien van de overige gegevens met de Belastingdienst afspraken gemaakt worden voor een korte bewaartermijn.

Als u niet aan deze bewaarplicht voldoet, kan dit heel vervelend voor u uitpakken. U riskeert niet alleen een boete, maar u kunt ook strafrechtelijk vervolgd worden. 

Bewaren facturen

U moet uw administratie zo bewaren dat u bij een belastingcontrole binnen een redelijke termijn alle opgeslagen factuurgegevens ter beschikking kunt stellen.

Hierbij is het van belang dat u kunt aantonen dat de factuur alle echtheidskenmerken nog bevat. U moet uw inkoop- en verkoopfacturen dan ook bewaren in de originele vorm. De digitaal verstuurde en ontvangen facturen worden daarom digitaal opgeslagen. Het is dus niet toegestaan om digitale facturen af te drukken en vervolgens te verwijderen. Omgekeerd geldt hetzelfde. Als een papieren factuur wordt gescand, is het aan te raden om ook de papieren factuur te bewaren, omdat bij het scannen bepaalde gegevens, bijvoorbeeld het watermerk, verloren kunnen gaan. 

Digitale facturen

U moet uw digitale facturen niet alleen digitaal bewaren, maar u moet ook aan kunnen tonen dat de facturen niet gewijzigd zijn nadat deze zijn ontvangen, dan wel zijn verzonden.

  • Zo kunt u het pdf-bestand van uw inkoopfactuur beveiligen en kunt u de e-mail waarin u de factuur heeft ontvangen, bewaren. Dit geldt eveneens voor uw verkoopfactuur.
  • Tevens kunt u de echtheid van deze facturen aantonen door een elektronische handtekening van de afnemer te vragen. Het is raadzaam ook opdrachtbevestigingen, betalingsbewijzen e.d. te bewaren.

De wijze waarop u uw facturen bewaart, kunt u afstemmen met de Belastingdienst. De afspraken die u vervolgens maakt, zijn alleen van toepassing voor de fiscale wetgeving. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk een afspraak te maken over het printen van digitale facturen. Als uw administratie van geringe omvang is, zodat een belastingcontrole van de afgedrukte bestanden binnen redelijke tijd kan worden gedaan, mag u - nadat dit is afgestemd met de Belastingdienst - de digitale bestanden verwijderen.

Bron: Tips en Advies - Belastingen

 

Wat gaat er in 2017 veranderen met het pensioen in eigen beheer?

16-11-2016

Bent u directeur-grootaandeelhouder (DGA) en hebt u in uw onderneming pensioen opgebouwd? Vanaf 2017 kan dit niet meer. U krijgt dan nog wel de mogelijkheid om het opgebouwde pensioen via een regeling af te kopen. Indien u hier geen gebruik van maakt dan kunt u de in eigen beheer opgebouwde pensioenrechten omzetten in een oudedagsverplichting. Daarnaast kunt u nog kiezen voor een premievrije voortzetting (staking opbouw).

In veel gevallen is de echte (commerciële) waarde van pensioenaanspraken veel hoger dan het bedrag dat in eigen beheer op de fiscale balans staat. Bij het eventueel uitkeren van dividend uit een BV waarin een pensioen in eigen beheer is ondergebracht, stelt de Belastingdienst zich op het standpunt dat rekening moet worden gehouden met die commerciële waarde. De BV dient derhalve minimaal de middelen te bezitten van deze commerciële waarde om überhaupt dividend te mogen uitkeren (dividendtoets). Zo niet, dan wordt het uitkeren van dividend aangemerkt als belaste afkoop van de gehele pensioenaanspraak. Dat betekent een heffing van 52% inkomstenbelasting verhoogd met 20% revisierente.

Daarnaast staat bij veel BV's de pensioenverplichting onder water. Daarvan is sprake als de BV onvoldoende middelen bezit tegenover de pensioenverplichting in eigen beheer. 

Afstempelen

Voorgesteld wordt nu dat de pensioenaanspraken de komende drie jaar onbelast kunnen worden verlaagd (afstempelen) tot aanspraken die overeenstemmen met de lagere fiscale waardering. 

Afkopen

U kunt er vervolgens voor kiezen alle pensioenrechten bij uw eigen BV af te kopen, waarbij een korting wordt verleend op die fiscale waarde en enkel loonbelasting (maximaal 52%) is verschuldigd. Om die afkoop te stimuleren wordt een aflopende korting voorgesteld. Hoe sneller u afkoopt, des te hoger de korting. Voor DGA's die nog niet met pensioen zijn, geldt dat het belastingvoordeel wordt gegeven over de stand van de fiscale voorziening per 31-12-2015. Voor DGA's die al wel met pensioen zijn, geldt dat het belastingvoordeel wordt gegeven over de fiscale eigenbeheervoorziening per afkoopdatum. 

Omzetten naar oudedagsverplichting

Wilt u wel van het huidige eigen beheer af, maar heeft u er geen geld voor over om de afkoop te realiseren. Dan kunnen de pensioenrechten worden omgevormd naar een zogenaamde oudedagsverplichting. Dit gebeurt op basis van de fiscale waarde. Jaarlijks wordt de verplichting opgerent tegen een nader te bepalen marktrente. Op de pensioendatum dient u deze om te zetten naar een lijfrente met een looptijd van minimaal 20 jaar. 

Behoud huidig eigen beheer

Maakt u geen gebruik van de mogelijkheden tot afkoop of omzetting van het pensioen in eigen beheer. Dan kunt u alles bij het oude laten met dien verstande dat er niet verder mag worden opgebouwd. Het tot 01-01-2017 opgebouwde pensioen moet op de pensioendatum of bij overlijden 'gewoon' conform de pensioenovereenkomst worden uitgekeerd. Ook de eerder genoemde dividendtoets blijft van toepassing.

Voor meer informatie omtrent de wijzigingen in het pensioen in eigen beheer kunt u contact met ons opnemen. 

Berekening belasting box wordt anders vanaf 2017

26-08-2016

U betaalt belasting over uw inkomsten uit een deel van uw vermogen: de zogenoemde grondslag sparen en beleggen (box 3). Dat is de waarde van uw bezittingen min uw schulden op 1 januari van het jaar waarover u aangifte doet, min uw heffingsvrij vermogen. De Belastingdienst belast niet de werkelijke opbrengst, maar een percentage van de waarde van de grondslag sparen en beleggen.

Tot en met 2016 berekenen zij een voordeel van 4% over uw grondslag sparen en beleggen. Over dit voordeel van 4% betaalt u 30% inkomstenbelasting. U betaalt dus 4% x 30% = 1,2% belasting over uw grondslag sparen en beleggen.

Vanaf 2017 verandert de berekening van de belasting die u moet betalen over uw grondslag sparen en beleggen. Er zijn dan 3 schijven. De fiscus gaat ervan uit dat u meer voordeel hebt naarmate uw grondslag sparen en beleggen hoger is. Bij iedere volgende schijf gebruiken ze daarom een hoger percentage om uw voordeel te berekenen. Over dit voordeel betaalt u 30% inkomstenbelasting.

Vanaf 2017 gelden de volgende 3 schijven in box 3:

  • Schijf 1: tot en met € 75.000
  • Schijf 2: van € 75.001 tot en met € 975.000
  • Schijf 3: vanaf € 975.001

Daarnaast zijn er 2 percentages waarmee de Belastingdienst uw voordeel berekent: 1,63% en 5,5%. Per schijf wordt uw voordeel berekend met een mix van het percentage van 1,63% en het percentage van 5,5%. Valt een deel van uw vermogen in de 3e schijf? Dan rekenen ze voor dat deel van uw vermogen met het percentage van 5,5%.

In de tabel hieronder ziet u hoe de grondslag sparen en beleggen vanaf 2017 wordt berekend.

Schijf Uw (deel van de) grondslag sparen en beleggen Percentage 1,63% Percentage 5,5%
1 Tot en met € 75.000 67% 33%
2 Van € 75.001 tot en met € 975.000 21% 79%
3 Vanaf € 975.001 0% 100%

Indien u een fiscale partner heeft mag u de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen verdelen op de manier die voor u beiden het voordeligst is. U berekent ieder uw eigen voordeel en de belasting die over dat voordeel wordt betaald. 

Voorbeeld: Alleenstaande met € 125.000 spaargeld

U bent alleenstaand en hebt € 125.000 spaargeld. U hebt geen schulden. Uw grondslag sparen en beleggen is dan € 125.000 - € 25.000 heffingsvrij vermogen = € 100.000. Volgens de Tabel berekening voordeel uit vermogen vanaf 2017, valt € 75.000 in de 1e schijf en € 25.000 in de 2e schijf.

Schijven in box 3 Totaalbedrag in schijf Verdeling bedrag in schijf Percentage Voordeel
1 €75.000 67% x €75.000 = €50.250 1,63% x €50.250 €819
1 €75.000 33% x €75.000 = €24.750 5,5% x €24.750 €1.361
2 €25.000 21% x €25.000 = €5.250 1,63% x €5.250 €85
2 €25.000 79% x €25.000 = €19.750 5,5% x €19.750 €1.086
Totaal voordeel box 3       €3.351

De berekening van uw voordeel in de 1e schijf gaat zo:

Voor 67% x € 75.000 = € 50.250 geldt het percentage van 1,63%. 
Uw voordeel is dus 1,63% x € 50.250 = € 819.

Voor 33% x € 75.000 = € 24.750 geldt het percentage van 5,5%. 
Uw voordeel is dus 5,5% x € 24.750 = € 1.361.

Uw voordeel in de 1e schijf is in totaal € 2.180 (€ 819 + € 1.361).

De berekening van uw voordeel in de 2e schijf gaat zo:

Voor 21% x € 25.000 = € 5.250 geldt het percentage van 1,63%. 
Uw voordeel is dus 1,63% x € 5.250 = € 85.

Voor 79% x € 25.000 = € 19.750 geldt het percentage van 5,5%. 
Uw voordeel is dus 5,5% x € 19.750 = € 1.086.

Uw voordeel in de 2e schijf is in totaal € 85 + € 1.086 = € 1.171.

De berekening van de belasting over uw voordeel in box 3 gaat zo:

Uw voordeel in box 3 is in totaal € 2.180 + € 1.171 = € 3.351. 
U betaalt over dit voordeel 30% belasting = € 1.005.

Voorbeeld: u hebt spaargeld met uw fiscale partner en geeft ieder de helft van de grondslag op

U hebt een fiscale partner en u hebt samen € 250.000 spaargeld. U hebt geen schulden. Uw grondslag sparen en beleggen is dan € 250.000 - € 50.000 heffingsvrij vermogen = € 200.000. U kiest ervoor om ieder € 100.000 op te geven. Volgens de Tabel berekening voordeel uit vermogen vanaf 2017, valt € 75.000 in de 1e schijf en € 25.000 in de 2e schijf. Deze berekening maakt u zowel voor uzelf als voor uw fiscale partner. De berekening ziet er dan hetzelfde uit als eerder genoemd voorbeeld van de alleenstaande. Echter dient deze twee keer te worden aangegeven.

Uw voordeel in box 3 is in totaal € 2.180 + € 1.171 = € 3.351. 
U betaalt over dit voordeel 30% belasting = € 1.005.
Het voordeel van uw fiscale partner in box 3 is in totaal € 2.180 + € 1.171 = € 3.351. 
Uw fiscale partner betaalt over dit voordeel ook 30% belasting = € 1.005

Voorbeeld: u hebt spaargeld met uw fiscale partner en u geeft de hele grondslag op

U hebt een fiscale partner en u hebt samen € 250.000 spaargeld. U hebt geen schulden. Uw grondslag sparen en beleggen is dan € 250.000 - € 50.000 heffingsvrij vermogen = € 200.000. U kiest ervoor om € 200.000 op te geven. Uw fiscale partner geeft niks op. Volgens de Tabel berekening voordeel uit vermogen vanaf 2017, valt € 75.000 in de 1e schijf en € 125.000 in de 2e schijf.

Schijven in box 3 Totaalbedrag in schijf Verdeling bedrag in schijf Percentage Voordeel
1 €75.000 67% x €75.000 = €50.250 1,63% x €50.250 €819
1 €75.000 33% x €75.000 = €24.750 5,5% x €24.750

€1.361

2 €125.000 21% x €125.000 = €26.250 1,63% x €26.250 €427
2 €125.000 79% x € 125.000 = €98.750 5,5% x €98.750 €5.431
Totaal voordeel box 3       €8.038

De berekening van uw voordeel in de 1e schijf gaat zo:

Voor 67% x € 75.000 = € 50.250 geldt het percentage van 1,63%. 
Uw voordeel is dus 1,63% x € 50.250 = € 819.

Voor 33% x € 75.000 = € 24.750 geldt het percentage van 5,5%. 
Uw voordeel is dus 5,5% x € 24.750 = € 1.361.

Uw voordeel in de 1e schijf is in totaal € 2.180 (€ 819 + € 1.361).

De berekening van uw voordeel in de 2e schijf gaat zo:

Voor 21% x € 125.000 = € 26.250 geldt het percentage van 1,63%. 
Uw voordeel is dus 1,63% x € 26.250 = € 427.

Voor 79% x € 125.000 = € 98.750 geldt het percentage van 5,5%. 
Uw voordeel is dus 5,5% x € 98.750 = € 5.431.

Uw voordeel in de 2e schijf is in totaal € 427 + € 5.431 = € 5.858.

De berekening van de belasting over uw voordeel in box 3 gaat zo:

Uw voordeel in box 3 is in totaal € 2.180 + € 5.858 = € 8.038. 
U betaalt over dit voordeel 30% belasting = € 2.411.

Bron: Belastingdienst

Steeds meer banken bieden rentemiddeling aan

10-08-2016

Rentemiddeling biedt huizenbezitters de mogelijkheid hun hypotheekrente bij hun eigen geldverstrekker te verlagen. Dit kan vooral interessant zijn, wanneer uw hypotheekrente fors hoger is dan de huidige rente en de rentevaste periode nog enkele jaren duurt. Uw huidig tarief bij de geldverstrekker zal worden gemiddeld met de actuele marktrente. De boeterente die daarover betaalt dient te worden zal worden verrekend in de nieuwe rente. Zodoende kan deze worden uitgesmeerd over een langere periode. Ook deze boeterente is, zowel bij betaling ineens als uitgesmeerd over de looptijd, fiscaal aftrekbaar. 

Een rentemiddeling is niet in alle situaties voordelig. Wanneer u een spaarhypotheek heeft bijvoorbeeld. De hoogte van de hypotheekrente bepaalt immers mede de vermogensopbouw in de hypotheek. Ook kan het oversluiten van de hypotheek in sommige gevallen voordeliger zijn. De kosten voor middeling zijn dan wel lager bij het oversluiten van een hypotheek (omdat er geen nieuwe hypotheek wordt afgesloten). Echter blijft de klant dan bij zijn huidige bank, terwijl andere partijen in de markt mogelijk goedkoper kunnen zijn. 

Tevens bieden (nog) niet alle banken rentemiddeling aan. Op dit moment zijn dat slechts de volgende 11 geldverstrekkers die, onder voorwaarden, een methode van rentemiddeling aanbieden:

  • ABN Amro
  • Centraal Beheer
  • FBTO
  • Florius
  • ING
  • Obvion
  • Rabobank
  • Regiobank
  • SNS Bank
  • WestlandUtrecht Bank
  • Woonfonds Hypotheken

Daarnaast hebben ook Nationale Nederlanden en Aegon bekend gemaakt, later in 2016 rentemiddeling aan te bieden.

Indien u wilt weten of u kunt besparen op uw hypotheek kunt u de quickscan van de Vereniging Eigen Huis raadplegen. Voor meer informatie verwijzen wij u door naar uw geldverstrekker of hypotheekadviseur.

Bron: Vereniging eigen huis

Teruggaaf btw sneller en eenvoudiger bij oninbare vorderingen

03-08-2016

Als een afnemer niet kan of wil betalen, kan de ondernemer ongeacht de reden van niet-betaling de Belastingdienst verzoeken om teruggaaf van de btw die hij al heeft afgedragen. De huidige procedure voor teruggaaf wordt echter als ingewikkeld en tijdrovend ervaren. Het ministerie van Financiën wil de regeling vereenvoudigen. Een eerste conceptwetsvoorstel is reeds gepubliceerd. 

Wanneer er een factuur wordt gestuurd naar een afnemer, dient de btw hierover bij de eerstvolgende btw-aangifte te worden aangegeven. Wanneer deze afnemer de factuur uiteindelijk niet of maar gedeeltelijk betaald, dan is er btw afgedragen die niet ontvangen is. Deze kan dan worden teruggevraagd.

De huidige procedure is nogal omslachtig en tijdrovend. Er dient immers een afzonderlijk verzoek te worden ingediend bij de Belastingdienst binnen een maand na oninbaar worden van de vordering. Het gaat hier overigens niet alleen om niet-betaling van de in rekening gebrachte vergoeding, maar ook om:

  • Annulering, verbreking, ontbinding van overeenkomsten voor de levering van goederen en het verrichten van diensten; en
  • Een prijsvermindering of volledige kwijtschelding nadat de goederenlevering of dienstenverrichting heeft plaatsgevonden. 

Het recht op de btw-teruggaaf ontstaat op het tijdstip dat de oninbaarheid kan worden vastgesteld. Het vaststellen van dit tijdstip is echter vaak lastig, waardoor de ondernemer het verzoek soms te vroeg en soms te laat indient. Als het verzoek niet op tijd wordt ingediend, heeft de ondernemer geen rechten van bezwaar en beroep meer en is hij aangewezen op de ambtshalve afwikkeling van zijn verzoek door de inspecteur. Ingeval van faillissement kan het jaren duren voordat de gehele of gedeeltelijke oninbaarheid van een vordering definitief kan worden vastgesteld en aan de fiscus kan worden aangetoond. Om deze en andere vergelijkbare problemen te voorkomen, stelt het kabinet het volgende voor. De oninbaarheid zal in ieder geval geacht worden te ontstaan op het moment dat de vordering 1 jaar, nadat deze opeisbaar is geworden, nog niet is betaald. Daarbij wordt uitgegaan van de uiterste datum waarop volgens de leveringsovereenkomst een vordering in zijn geheel moet zijn betaald. 

Daarnaast stelt het kabinet voor om de crediteur zelf het bedrag van de teruggaaf in mindering te laten brengen op de periodieke btw-aangifte. Het bedrag van de teruggaaf wordt, net als nu, berekend naar evenredigheid van het niet-ontvangen deel van de eerder in rekening gebrachte vergoeding. Indien een vordering op een later tijdstip alsnog wordt betaald, moet  de ondernemer de eerder in rekening gebrachte btw opnieuw op aangifte voldoen. 

Onder de huidige regeling moet de afnemer de in aftrek gebrachte btw terugbetalen indien en voor zover hij twee jaar na het opeisbaar worden nog niet heeft betaald. Het kabinet wil voor de afnemer de termijn waarna bij niet-betaling de eerder in aftrek gebrachte btw moet worden gecorrigeerd, terugbrengen van twee naar één jaar. Dit is in lijn met de termijn van één jaar waarna recht op teruggaaf ontstaat bij de ondernemer die het goed of de dienst heeft geleverd.

De voorgestelde wijzigingen zouden op zijn vroegst al per 1 januari 2017 van kracht kunnen worden/ Dat betekent dat op 1 januari 2017 al bestaande vorderingen op grond van overgangsrecht als oninbaar worden aangemerkt op 1 januari 2018, voor zover het verschuldigde bedrag op die datum nog steeds niet is ontvangen.

Bron: Taxence

Verruiming btw-vrijstelling in (para)medische sector

21-07-2016

(Para)medische behandelaren zonder BIG-registratie (zoals een diëtist, logopedist, mondhygiënist, podotherapeut e.a. niet artikel 3-beroepen) en BIG-geregistreerde behandelaren die behandelingen verrichten buiten hun BIG-beroep, kunnen onder voorwaarden de medische vrijstelling toepassen. Een belangrijke voorwaarde is het kunnen aantonen van het gelijkwaardige kwaliteitsniveau van de behandelingen ten opzichte van die door de BIG-registreerde behandelaar. Dit staat in een nieuw besluit. Daarin staat ook dat een arts de vrijstelling mag toepassen op alle gezondheidskundige reguliere én alternatieve behandelingen. De van een medische behandeling onafscheidbare onderdelen, zijn eveneens vrijgesteld. Ook als een niet BIG-geregistreerde behandelaar die heeft verricht.

In een besluit van de Staatssecretaris van Financiën zijn aanwijzingen gegeven over de toepassing van de btw-vrijstelling voor (para)medische diensten. De staatssecretaris zag hier noodzaak toe, omdat er de afgelopen tijd verschillende uitspraken door rechterlijke instanties zijn gedaan over de toepassing van de medische vrijstelling (zoals in een eerder nieuwsbericht te lezen viel). Enkele belangrijke punten uit het besluit.

Medische vrijstelling voor de btw

Alle gezondheidskundige diensten van artsen vallen onder de btw-vrijstelling, zo blijkt uit het besluit. Hieronder worden nu onder voorwaarden ook verstaan de niet-reguliere medische diensten en alternatieve of (para)medische diensten.

Handelingen buiten deskundigheidsgebied

In het nieuwe besluit worden voorwaarden gegeven waaronder de behandelaar zonder BIG-registratie en de BIG-geregistreerde behandelaar die buiten zijn of haar deskundigheidsgebied handelt de btw-vrijstelling kunnen toepassen. Eén van de voorwaarden is dat de dienst die geleverd wordt een gezondheidskundige dienst is die van een gelijkwaardig kwaliteitsniveau is als een gezondheidskundige dienst geleverd door een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar.

Er zijn in het nieuwe besluit beroepsbeoefenaren genoemd waarvan is vastgesteld dat zij kwalitatief soortgelijke gezondheidskundige diensten verrichten als Wet BIG-beroepsbeoefenaren waardoor zij de btw-vrijstelling kunnen toepassen op die diensten. Genoemd worden de Kinder-en Jeugdpsycholoog NIP en de Orthopedagogen Generalist. De diensten van deze personen zijn kwalitatief gelijk aan die van BIG-geregistreerden en daarom kunnen zij de medische vrijstelling op die diensten toepassen. Dit onderdeel van het besluit werkt terug tot 27 maart 2015 en in die situaties van vóór 27 maart 2015 waarin tegen de heffing van btw bezwaar is gemaakt.

Bron: Fiscount

Goederen naar het buitenland, waar moet u op letten?

09-06-2016

Als u goederen levert aan ondernemers in andere EU-landen, verricht u waarschijnlijk 'intracommunautaire leveringen'. De administratieve verwerking hiervan gaat niet altijd goed. Hoe zorgt u ervoor dat u uw zaakjes op orde heeft?

Intracommunautaire levering

Indien u als ondernemer goederen levert aan een andere ondernemer buiten Nederland maar binnen de EU, dan verricht u meestal een intracommunautaire levering (ICL). Dit betekent dat uw levering wordt belast met 0% btw.

Uw afnemer moet vervolgens zijn aankoop aangeven in het land van bestemming. Daar verricht hij een intracommunautaire verwerving. Dit betekent dat hij btw over de verwerving moet afdragen, maar deze mag hij ook direct als voorbelasting verrekenen. 

Wil er sprake zijn van een ICL, dan moet worden voldaan aan het volgende:

  • de goederen worden vervoerd naar een ander EU-land;
  • uw afnemer is ondernemer voor de heffing van de btw.

Aandachtspunten

Wat in de praktijk nog wel eens mis gaat, is de administratieve onderbouwing en verwerking van een ICL. Daarom een aantal belangrijke punten om op te letten. 

Allereerst is het van belang dat u kunt aantonen dat de goederen daadwerkelijk zijn vervoerd naar het andere EU-land. Dit moet u kunnen bewijzen aan de hand van uw administratie, bijvoorbeeld met afhaalverklaringen, bestelformulieren, orderbevestigingen en transportpapieren. Tip: Voeg deze bij de factuur zodat u deze later kunt terugvinden.

Daarnaast moet de ICL goed worden verwerkt op uw factuur. Over deze levering is 0% btw verschuldigd. Hiervoor moet u op de factuur vermelden dat er sprake is van een ICL. Dit doet u door het opnemen van de volgende zinsnede: "tabel II, onderdeel a, post 6, Wet OB 1968". Daarnaast moet het btw-identificatienummer van de afnemer op de factuur worden vermeld. Tip: U kunt dit nummer controleren via de internetsite van de Europese Commissie.

Opgaaf ICP

Vervolgens moet u de ICL goed verwerken in uw administratie. Voor de heffing van de btw betekent dit dat deze levering in de aangifte moet worden vermeld onder rubriek 3b. Dit zorgt ervoor dat er geen Nederlandse btw hoeft te worden afgedragen over deze levering.

Maar daarmee bent u er nog niet. Als ondernemer bent u ook verplicht om periodiek opgaaf te doen van uw intracommunautaire prestaties (ICP). Dit kan digitaal worden gedaan via de beveiligde site van de Belastingdienst. Hierbij moet u niet alleen opgeven voor wel bedrag u heeft geleverd, maar ook de btw-identificatienummers van de afnemers vermelden.

In beginsel geldt voor de meeste ondernemers dat zij een opgaaf ICP per kwartaal moeten indienen. Als u echter veelvuldig levert aan het buitenland, kan een maandelijkse opgaaf verplicht zijn. Dit is het geval als u per kwartaal voor meer dan € 50.000,- (2016) aan goederen intracommunautair levert. De opgaaf ICP wordt door de fiscus niet zoals de btw-aangifte digitaal voor u klaargezet. U moet er dus zelf aan denken om deze tijdig in te dienen. 

Wilt u verzekerd zijn van een correcte en tijdige btw-aangifte, dan verzorgen wij uw aangifte met alle plezier. U kunt  vrijblijvend contact met ons opnemen indien u meer informatie omtrent bovenstaande wilt ontvangen.

Bron: Tips en Advies - Belastingen

Belasting wijzigt per 1 april

29-03-2016

Vanaf 1 april houdt u, indien u salaris, pensioen of een uitkering heeft ontvangen, netto tussen de € 3 en € 10 minder over dan nu. Oorzaak hiervan is dat de berekening van de loonheffing gaat veranderen.

Vanaf 1 januari 2016 zijn de belastingtarieven gewijzigd. De juiste tarieven werden echter pas in december 2015 bekend gemaakt, waardoor de Belastingdienst de programma's waarmee de loonheffingen berekend worden niet op tijd heeft kunnen aanpassen. Ook in de salarissystemen van werkgevers en uitkeringsinstanties konden de nieuwe tarieven niet op tijd worden verwerkt. Met gevolg dat er in januari, februari en maart niet het juiste bedrag aan loonheffing is ingehouden. Vanaf 1 april worden door werkgevers en uitkeringsinstanties de juiste tarieven gebruikt. Ook het bedrag dat eerder te weinig is ingehouden, wordt dan verrekend. 

 

Afschaffing van de VAR-verklaring

01-03-2016

Het vervallen van de VAR-verklaring kan vervelende gevolgen hebben voor opdrachtgevers en opdrachtnemers. In dit memo zetten wij de gevolgen voor u op een rij. Om de leesbaarheid van dit memo te vergroten, gebruiken wij hierbij de term ZZP’er wanneer wij het hebben over de opdrachtnemer. Uiteraard hoeft een opdrachtnemer niet per se een ZZP’er (“zelfstandige zonder personeel”) te zijn, maar kan het ook om andere ondernemers gaan.

Waarom wordt de VAR-verklaring afgeschaft?

Met het afschaffen van de VAR-verklaring beoogt de Belastingdienst schijnzelfstandigheid te voorkomen. Bovendien kan de Belastingdienst na afschaffing van de VAR-verklaring ook een naheffingsaanslag opleggen aan de opdrachtgever. Voorheen  kon de opdrachtgever de VAR-verklaring gebruiken als een soort fiscaal vrijwaringsbewijs: dat is nu niet meer mogelijk.

Wat verandert er per 1 mei?

Per 1 mei komt de VAR-verklaring te vervallen. In tegenstelling tot de berichten in de pers, komt hier geen systeem van modelovereenkomsten voor in de plaats. U mag deze modelovereenkomsten gebruiken, maar het gebruik daarvan is niet verplicht. U kunt bijvoorbeeld ook kiezen om met een eigen overeenkomst of zelfs zonder overeenkomst te gaan werken. Zie ook het stappenplan elders in dit memo.

Wat verandert er voor de opdrachtgever?

De opdrachtgever loopt vanaf 1 mei 2016 meer fiscaal risico. Hij zal bij elke ZZP’er na moeten gaan of deze fiscaal aangemerkt kan worden als werknemer. In dat geval moet hij loonheffingen inhouden op de aan de ZZP’er uitbetaalde bedragen. Doet hij dat niet, dan kan dat in de toekomst onder meer leiden tot (in geval van de loonbelasting en premie voor volksverzekeringen op de ZZP’er verhaalbare) naheffingsaanslagen en wellicht boetes. Daarnaast kan de ZZP’er mogelijk ook aanspraak maken op de Ziektewet, WIA et cetera. Hoewel dit risico in principe niet verder teruggaat dan tot 1 mei 2016, doet de opdrachtgever er verstandig aan om alle afspraken met de door hem ingehuurde ZZP’ers tijdig tegen het licht te houden.

Wat verandert er per 1 mei voor de ZZP’er?

Als ZZP’er moet u vanaf 1 mei, net als nu, zelf beoordelen of u fiscaal aangemerkt kunt worden als ondernemer of niet. Voordelig voor u is dat u niet meer de enige bent die aangesproken kan worden voor een eventuele belastingclaim. Mocht u fiscaal aangemerkt worden als werknemer, dan kunt u in de toekomst mogelijk aanspraak maken op WW en andere uitkeringen zoals die op grond van de Ziektewet en de WIA. Uw ondernemersvoordelen (zelfstandigenaftrek et cetera) lopen dan wel gevaar. Het vervallen van de VAR kan bovendien als gevolg hebben dat een opdrachtgever u niet meer, of tegen andere voorwaarden in wil huren.

Hoe kunt u fiscale risico’s beperken? Een stappenplan.

Om fiscale risico’s te beperken, is het aan te raden om bij elke opdracht te beoordelen of er sprake zou kunnen zijn van een fiscaal dienstverband. Wanneer direct duidelijk is dat iemand zelfstandig ondernemer is, hoeft u uiteraard niets te doen. In andere gevallen kan er echter een diepgaander onderzoek nodig zijn. Naast onderzoek, is een goede vastlegging van de gemaakte af spraken aan te raden.

Stap 1: Onderzoek

Om te beoordelen of het risico bestaat dat de ingehuurde ZZP’er aangemerkt kan worden als werknemer, moet u in ieder geval aandacht besteden aan de drie volgende elementen:

  1. Arbeid. Moet de ZZP’er zelf het werk verrichten, of mag hij zich bijvoorbeeld laten vervangen door iemand anders? Wie lost eventuele klachten over de arbeid op: de ZZP’er of de opdrachtgever
  2. Beloning. Krijgt de ZZP’er alleen een vergoeding voor zijn arbeid, of ook bij ziekte en/of vakantie? Wie loopt het debiteurenrisico? Is dat de ZZP’er
  3. Gezag. Wie bepaalt hoe het werk uit wordt gevoerd? Mag de ZZP’er zijn eigen gang gaan? Of staat hij onder toezicht van de opdrachtgever?

Uiteraard is dit maar een kleine indicatie van de zaken die beoordeeld moeten worden.  Om u een indruk te geven van de wijze waarop de Belastingdienst tegen deze elementen aankijkt, kunt u online het ‘beoordelingskader’ van de Belastingdienst bekijken.

Stap 2: Afspraken vastleggen

Als u wilt, kunt u de gemaakte afspraken vastleggen in een overeenkomst, dit is echter niet verplicht. U kunt hiervoor uw eigen overeenkomst gebruiken, een nieuwe overeenkomst op laten stellen of een van de modelovereenkomsten van de Belastingdienst gebruiken. De website van de Belastingdienst biedt zowel algemene, als meer specifieke modelovereenkomsten. De keuze is aan u. De Belastingdienst vindt het zelfs prima wanneer u, bijvoorbeeld in een e-mail, slechts kort verwijst naar het nummer van de modelovereenkomst die u wilt gebruiken. Wilt u liever uw eigen overeenkomst gebruiken, maar toch een garantie van de Belastingdienst? Dat kan ook. In dat geval kunt u uw overeenkomst ter beoordeling naar de Belastingdienst zenden.

Kiest u voor het gebruik van een modelovereenkomst van de Belastingdienst? Denk er dan aan dat het gebruik van deze overeenkomst alleen onder voorwaarden garanties biedt. Allereerst krijgt u alleen een garantie wanneer u in de praktijk net zo handelt als op papier staat. Daarnaast is de garantie ‘maar’ vijf jaar geldig  en geldt het voorbehoud dat de wettelijke bepalingen en rechtspraak geen roet in het eten gooien, net als de uitkomst van een evaluatie van de Wet DBA die over drie jaar plaats zal vinden. Tot slot is van belang om te beseffen dat de Belastingdienst alleen garandeert dat de ZZP’er fiscaal geen werknemer is. Men geeft niet de garantie dat de ZZP’er fiscaal als ondernemer kan worden aangemerkt.

Implementatieperiode

De Belastingdienst heeft aangekondigd tot 1 mei 2017 soepel met u om te gaan. Men accepteert dat u in deze periode nog niet alles voor elkaar heeft, maar en zal alleen optreden als u het al te bont maakt, bijvoorbeeld in geval van fraude. Wel verwacht men van u dat u zich inspant om uw zaken goed te regelen.

Advies

Wij adviseren u goed na te denken over wat het vervallen van de VAR-verklaring voor u betekent en in geval van twijfel het stappenplan uit te voeren. Wij staan u als adviseur daarbij graag terzijde. U kunt bijvoorbeeld bij ons terecht voor:

  • Een analyse van uw risico’s en kansen.
  • De beoordeling van uw overeenkomst.
  • Overleg met de Belastingdienst
Gevolgen verbod op gratis plastic tassen

11-02-2016

Vanaf 1 januari 2016 zijn gratis plastic tassen niet meer toegestaan. Het doel is om zwerfvuil op straat en in zee tegen te gaan en verspilling van grondstoffen te voorkomen. Wat zijn de fiscale gevolgen hiervan?

In Nederland gebruiken alle consumenten samen ieder jaar zo'n 3 miljard plastic tasjes. Een groot deel belandt in de afvalbak en een ander deel wordt zwerfafval. De Europese Unie heeft daarom alle lidstaten verplicht het gebruik van plastic tassen te verminderen. Nederland voldoet met het verbod op gratis plastic tassen aan deze Europese verplichting. 

In sommige gevallen mogen levensmiddelen nog wel worden verpakt in dunne plastic tasjes. Namelijk als dit voedselverspilling tegengaat, of als er geen andere manier is deze hygiënisch te verpakken. Bijvoorbeeld bij groente en fruit. 

Klanten krijgen in de winkel geen gratis plastic tas meer, tenzij deze onder de uitzondering vallen. U mag zelf een prijs bepalen voor een plastic tas. De overheid geeft een richtbedrag van € 0,25 per tas. Het bedrag voor een tas moet bovenop het verkoopbedrag komen. Er geldt een btw-heffing van € 21% voor de verkoop van een plastic tas. Het maakt daarvoor niet uit dat de goederen in de tas belast zijn met 6%. Vermeld het bedrag voor een tas daarom op de kassabon van uw klant. 

Papieren, jute en stoffen tassen mag u wel gratis meegeven. Deze tassen vallen niet onder het verbod. Dit geldt wel voor papieren of jute tassen met een plastic coating of voering.

Er is een (digitaal) informatiepakket over het verbod op gratis plastic tassen beschikbaar. In dit pakket zitten middelen die u kunt gebruiken om uw klanten te informeren over het verbod. Wilt u een pakket ontvangen? Dan kunt u dat hier aanvragen.

Energiezuinig investeren

01-02-2016

Voor het jaar 2016 is het belastingvoordeel op energiebesparende investeringen fors verhoogd. Ook voor duurzame investeringen krijgt u weer extra aftrek.

Eind 2015 heeft de overheid zowel de nieuwe Energielijst als de Milieulijst voor 2016 bekendgemaakt. In deze lijsten zijn energiebesparende en duurzame investeringen opgenomen. Als uw BV (of u als ondernemer) een dergelijke investering doet, heeft u recht op extra fiscaal voordeel.

Zo zijn in de Energielijst tal van energiebesparende technieken opgenomen die in aanmerking komen voor de Energie-investeringsaftrek (EIA). Dit betekent dat bij investeringen in zo'n bedrijfsmiddel uw BV naast de reguliere Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek aanspraak kan maken op een extra belastingaftrek. De EIA bedraagt in 2016 maar liefst 58% (2015: 41,5%). Dus als u een energiebesparende investering doet van € 25.000,-, levert dit een extra belastingaftrek op van € 14.500,-. De Energielijst kent enkele nieuwe toevoegingen. Denk bijvoorbeeld aan een standairco of zonnepanelen op transportmiddelen.

In de Milieulijst 2016 staan investeringen op het gebied van duurzaamheid en circulaire innovaties. Als u investeert in zo'n bedrijfsmiddel, kunt u aanspraak maken op de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en/of de Vamil-regeling. De MIA levert u in 2016 36% extra aftrek op. De Vamil-regeling biedt de mogelijkheid om willekeurig af te schrijven op het bedrijfsmiddel tot een maximum van 75%. De resterende 25% moet op reguliere wijze worden afgeschreven. 

Als u voornemens bent te investeren in een energiebesparend of milieuvriendelijk bedrijfsmiddel, dan moet u wel rekening houden met de aanmeldingstermijn van drie maanden. Deze termijn start op het moment dat uw BV de investeringsverplichting is aangegaan.

Aanmelding moet digitaal gebeuren op de website van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Bron: Tips en Advies - Belastingen

Fiscus gaat btw-aangiftes in 2016 strenger controleren

19-01-2016

De Belastingdienst gaat in 2016 strenger controleren of de btw wel in het juiste tijdvak wordt aangegeven.

De Belastingdienst implementeert in 2016 nieuwe controlesystemen met betrekking tot de btw-aangifte en het verschuiven van omzet. Voor het jaar 2016 wordt hier gelijk een aandachtspunt van gemaakt. De fiscus zal er in 2016 strenger op toe gaan zien dat btw binnen het boekjaar in het juiste tijdvak wordt aangegeven. Let hier dus op bij het opstellen en indienen van btw-aangiften. Wij geven u een overzicht van de regels voor de meest voorkomende situaties.

De btw moet worden aangegeven in het tijdvak dat de factuur wordt uitgereikt. Indien de factuur te laat wordt uitgereikt, dan moet de btw worden aangegeven in het tijdvak dat de factuur had moeten worden uitgereikt.

  • De factuur moet uiterlijk worden uitgereikt op de 15e dag na afloop van de maand waarin de levering/dienst is verricht. Dus levering op 1 februari, is uiterlijk 15 maart factureren.
  • Bij een doorlopende dienst (zoals een management fee) moet er minstens één keer per kwartaal een voorschot worden gefactureerd. Vaker mag uiteraard ook. Deze voorschotten worden verrekend in de jaarafrekening.

Als er om een of andere reden niet hoeft te worden gefactureerd (zoals bij het kasstelsel), dan moet de btw worden aangegeven in het tijdvak dat de levering of dienst is verricht. 

Ook voor aftrek van de aan u in rekening gebrachte btw (voorbelasting) is de factuur heilig. U kunt namelijk alleen btw aftrekken als u over een juiste factuur beschikt. Voor het tijdvak van aftrek is de datum op de factuur doorslaggevend. Het tijdstip van de levering of de dienst of het tijdstip waarop de factuur is betaald, is niet van belang voor het terugvragen van de btw. Zelfs als er vooruit is gefactureerd, moet de btw al worden afgetrokken in het tijdvak waarin deze is gefactureerd.

Bron: Tips en Advies - Belastingen

Levensloopregeling in 2015 afkopen?

16-12-2015

Net als in 2013 bestaat in 2015 de mogelijkheid om de levensloopregeling te beëindigen en over slechts 80% van het tegoed belasting te betalen.

De levensloopregeling is per 1 januari 2013 beëindigd, maar wie op dat moment een levenslooptegoed van € 3.000 of meer had, mocht het tegoed tot uiterlijk 31 december 2021 in stand houden (inleggen in de levensloopregeling is ingaande 2013 niet meer mogelijk). In de periode tot eind 2021 mag de levensloper zelf bepalen welke bedragen hij of zij uit het levenslooptegoed opneemt. Uiteraard moet over elke opname inkomstenbelasting worden betaald.

Om zoveel mogelijk levenslopers te verleiden tot beëindiging van de regeling werd in 2013 de hiervoor vermelde korting gegeven. Het Kabinet doet in 2015 een tweede poging om van zoveel mogelijk levensloopregelingen af te geraken.
U kunt het hele bedrag aan levenslooptegoed in 1 keer opnemen in 2015. U betaalt dan belasting:

  • Over 80% van het levenslooptegoed dat u op 31 december 2013 had;
  • Over 100% van het tegoed dat u na 31 december 2013 hebt opgebouwd.

Levensloopverlofkorting

Op de verschuldigde inkomstenbelasting mag de levensloopverlofkorting in mindering worden gebracht. Die bedraagt € 207 voor elk jaar dat tot en met 2011 in de levensloopregeling is ingelegd. De levensloopverlofkorting kan uiteraard maar één keer worden benut.

Gehele afkoop voordelig?

Als u van de korting gebruik wilt maken, moet u uw totale levenslooptegoed in 2015 in één keer opnemen. Het hele tegoed wordt daardoor in één keer in uw met inkomstenbelasting belaste inkomen over 2015 begrepen. Of dat voordelig is, hangt af van uw persoonlijke situatie. Het tarief van de inkomstenbelasting is immers hoger naarmate het te belasten inkomen hoger is.
Daarbij is ook van belang dat uw levenslooptegoed niet met inkomstenbelasting wordt belast in box 3 (inkomen uit sparen en beleggen). Nadat de levensloopregeling is beëindigd, bent u over het na aftrek van belasting resterend tegoed wel vermogensrendementsheffing verschuldigd.

Strengere controle op het aanwijzen van loonbestanddelen WKR

25-11-2015

Per 1 januari 2015 is de verplichte werkkostenregeling (WKR) in werking getreden. Deze regeling heeft de 29 oude verschillende regelgevingen die er bestonden rondom het maken van vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers vervangen. De Belastingdienst stelt zich nu, vanwege een door de staatssecretaris van Financiën ingevoerde beleidswijziging strenger op ten aanzien van het aanwijzen van loonbestanddelen.

Dergelijke aanwijzingen zijn vereist om binnen de werkkostenregeling een vergoeding of verstrekking als gerichte vrijstelling te mogen aanmerken of ten laste te brengen van het 1,2% forfait, de zogenoemde vrije ruimte. Als niet is aangewezen, dient het betreffende loonvoordeel individueel te worden verloond. Daarnaast loopt de werkgever bij een niet goed ingericht aanwijsproces, het risico de toepassing van een vrijstelling te verspelen, waarop de fiscus in het volgende kalenderjaar een correctie oplegt.  

Vrijstellingen

De Wet op de loonbelasting 1964 kent meerdere soorten vrijstellingen. Voor sommige vrijstellingen (bijvoorbeeld de jubileumvrijstelling) hoeven werkgevers feitelijk niets te doen. Voor de vrijstellingen die zijn opgenomen onder het regime van de WKR (de gerichte vrijstellingen en de forfaitaire vrijstelling van 1,2%), vereist de wet enige actie. Werkgevers moeten, rekening houdend met de gebruikelijkheidstoets, de vergoeding of verstrekking eerst aanwijzen als eindheffingsbestanddeel. Vormvoorschriften bij deze aanwijzing ontbreken, waardoor het niet altijd even duidelijk is of een loonbestanddeel door de werkgever is aangewezen. De bewijslast dat een loonbestanddeel is aangewezen ligt bij de werkgever. 

Wat betekent dit voor de werkgever?

Het wordt voor u nog belangrijker om de aanwijzing van loonbestanddelen expliciet en duidelijk in te regelen in uw arbeidsvoorwaarden en administratieve processen. Voorheen nam de Belastingdienst simpelweg aan dat het een aangewezen loonbestanddeel was indien het loonbestanddeel niet bij de werknemer op de loonstrook was verwerkt.

Bron: PwC

Afschaffen ouderentoeslag 2016

08-10-2015

Als AOW-gerechtigde kunt u tot en met 2015 recht hebben op een extra verhoging van het heffingsvrij vermogen. Dit wordt ook wel de ouderentoeslag genoemd. Die extra verhoging van het heffingsvrij vermogen vervalt vanaf 2016, omdat het kabinet de belastingvrijstelling voor inkomen uit vermogen voor iedereen gelijk wil trekken. Ouderen met vermogen worden voortaan dus hetzelfde behandeld als andere burgers met vermogen.

Ouderen (u bent 65 jaar of ouder vóór 1 oktober 2015) met een inkomen uit werk en woning (box 1) van maximaal € 20.075 en een grondslag in box 3 van maximaal € 282.226 (bij fiscaal partnerschap maximaal € 564.452) hebben tot nu toe recht op de toeslag. Deze toeslag bestaat uit een verhoging van het heffingsvrije vermogen in box 3 van maximaal € 28.236 (bij fiscaal partnerschap maximaal € 56.472). Het gevolg is dat u minder belasting over uw vermogen hoeft te betalen. 

De belasting in box 3 bedraagt 1,2% van het vermogen dat in deze box is belast. Ouderen die op dit moment recht hebben op de maximale ouderentoeslag van € 56.472, zijn na de afschaffing € 678 extra aan inkomstenbelasting verschuldigd. Daarnaast kan het vervallen van de ouderentoeslag ervoor zorgen dat uw vermogen te hoog is om recht te houden op zorg- en/of huurtoeslag.

Zorg- en huurtoeslag

De hoogte van de zorg- en huurtoeslag is onder andere afhankelijk van de hoogte van uw verzamelinkomen. Door de afschaffing van de ouderentoeslag kan uw verzamelinkomen hoger worden. Hoe meer uw verzamelinkomen stijgt, des te nadeliger zijn de effecten op uw toeslag. Uw recht op huurtoeslag kan zelfs geheel vervallen, indien u het maximale verzamelinkomen overschrijdt. 

Rekenhulp

Met de rekenhulp van de Belastingdienst kunt u eenvoudig berekenen wat de gevolgen zijn voor uw belastingen en toeslagen in 2016.

Eigen bijdrage in het kader van de Wlz / Wmo

Ook op de eigen bijdrage in het kader van de Wet langdurige zorg / Wet maatschappelijke ondersteuning (voorheen AWBZ) kan het afschaffen van de oudertoeslag grote nadelige gevolgen hebben. De eigen bijdrage met betrekking tot zorgverlening is afhankelijk van verschillende factoren. Het verzamelinkomen en het box-3 vermogen zijn er twee van. Omdat het peiljaar voor de bepaling van de eigen bijdrage altijd twee jaar eerder is, treedt dit nadeel pas op zijn vroegst met ingang van 2018 op. 

In hoeverre zijn sponsorkosten aftrekbaar?

13-08-2015

Reclame- en sponsorkosten zijn gewoon fiscaal aftrekbaar. Toch ligt de Belastingdienst nogal eens dwars als het uw favoriete sport of hobby betreft. Hoe voorkomt u nu dat de inspecteur een streep door de rekening haalt?

Sponsoring

Als sponsoring geen persoonlijke voordelen oplevert, is het te vergelijken met reclame en is er meestal niets aan de hand. Voorkom dergelijke voordelen dus als het u primair om naamsbekendheid gaat. U sponsort bijvoorbeeld de plaatselijke tennisvereniging in ruil voor vermelding van uw bedrijf op de borden langs de velden of op de shirts. Die kosten kunt u voor 100% in aftrek van de winst brengen. 

Het wordt al anders als u bij de tennisvereniging een toernooi sponsort en, naast naamsvermelding, toegang heeft met relaties en voorzien wordt van hapjes en drankjes. Een deel van de kosten zal dan aangemerkt worden als representatiekosten of relatiegeschenken, zodat dit deel van de kosten nog maar beperkt aftrekbaar is. Voor BV's is de aftrek dan 73,5%, maar u kunt ook kiezen voor een vast niet-aftrekbaar bedrag van €4.500,- of, als dit meer is, 0,4% van de loonsom van uw BV.

Geniet één van uw werknemers of uzelf als DGA ook toegang tot het toernooi, dan zijn ook deze kosten slechts beperkt aftrekbaar zoals hiervoor is aangegeven. U kunt dit deel van de kosten echter ook tot het loon rekenen. Dan is dit in beginsel belast. 

Als de inspecteur vindt dat er geen zakelijk belang is voor de sponsorkosten, dan zal hij de kosten aanmerken als privéonttrekking. De kosten zijn dan niet aftrekbaar en bij u als DGA belast. Voorkom dit te allen tijde. Voorbeelden uit de rechtspraak zijn het sponsoren van een raceauto of renpaard, terwijl hierbij het privégenot voorop stond. 

Bewijslast

Indien u iets als kosten opvoert, zult u aannemelijk moeten maken dat er een zakelijk belang is. Dit is al snel aanwezig.

Uit de rechtspraak blijkt dat de fiscus de aftrek van kosten alleen kan weigeren als 'geen redelijk denkend ondernemer deze gemaakt zou hebben.' Dit vereist dat er een zodanige wanverhouding bestaat tussen opbrengst en kosten, dat duidelijk is dat uw privévoordeel het eigenlijke motief van de uitgaven was. 

Probeer bij sponsorkosten altijd het nut ervan in kaart te brengen, het liefst aan de hand van omzet- of winstcijfers. Noteer zo mogelijk de namen van klanten die u via de sponsoring geworven heeft of zorg dat u op zijn minst kunt toelichten dat dit een goed middel was om uw doelgroep te bereiken.

Sponsor bij voorkeur geen zaken waarvan aantoonbaar duidelijk is dat dit behoort tot uw privé-interessesfeer of die van één van uw familieleden. Bijvoorbeeld het kartteam van uw zoon sponsoren, is dus verdacht.

Is er een privévoordeel aanwezig, reken dan slechts een deel van de kosten aan als zakelijk en breng alleen dit deel ten laste van de winst. Wacht niet totdat de inspecteur gaat corrigeren, want u riskeert dan ook boetes.

Bron: Tips en Advies - Belastingen

Ook btw-vrijstelling voor niet-BIG-geregistreerde behandelaren

22-07-2015

Door middel van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG), wil de overheid de kwaliteit van de gezondheidszorg waarborgen. Hierdoor zijn beroepen die onder de wet BIG vallen (en voldoen aan enkele voorwaarden) vrijgesteld van btw. Voorbeelden van deze BIG-beroepen zijn: apotheker, arts, fysiotherapeut e.a. Echter heeft een niet-BIG-geregistreerde behandelaar met succes geprocedeerd, zodat de btw-vrijstelling ook geldt als de behandelingen kwalitatief gelijkwaardig zijn aan de BIG-behandelingen. 

Op grond van de Wet op de omzetbelasting is chiropraxie niet vrijgesteld van btw. Terwijl fysiotherapie dit wel is. Hier was een chiropractor met erkende diploma's het niet mee eens. Volgens haar vormt het niet toekennen van de vrijstelling een schending van het neutraliteitsbeginsel. Ze beroept zich met succes op het feit dat de btw-vrijstelling ook geldt als de behandelingen kwalitatief gelijkwaardig zijn aan de BIG-behandelingen, de zogenoemde Europese btw-richtlijn. De rechtbank verklaart dat de chiropractor voldoende heeft aangetoond kwalitatief gelijkwaardig te zijn en dusdanig te concurreren met het wel vrijgestelde beroep van fysiotherapeut. 

Bovenstaande uitspraak biedt mogelijkheden voor andere chiropractoren, alsmede andere niet-BIG-geregistreerde behandelaren, die aantoonbaar aan de BIG-beroepen gelijkwaardige behandelingen verrichten (zoals osteopaten, praktijkondersteuners etc.)

U kunt contact met ons opnemen indien u ook denkt recht te hebben op de btw-vrijstelling op basis van bovenstaande casus of indien u meer informatie wilt omtrent bovenstaande. 

bron: Rechtspraak en Fiscount 

Wat te doen bij ontslag en de transitievergoeding

16-07-2015

Vanaf 1 juli 2015 heeft de werknemer bij ontslag recht op een financiële vergoeding. Dit heet de transitievergoeding. Voorwaarde is dat de werknemer 2 jaar of langer in dienst is geweest. Dit geldt voor zowel vaste als tijdelijke werknemers. De transitievergoeding kan bijvoorbeeld worden gebruikt voor scholing om de overstap naar een andere baan makkelijker te maken.

De omvang van de transitievergoeding is afhankelijk van het aantal dienstjaren en het maandsalaris. Per gewerkt dienstjaar krijgt de werknemer een vergoeding ter hoogte van een derde van zijn maandsalaris. Vanaf het elfde dienstjaar is de vergoeding een half maandsalaris.

Voor 50-plussers die minimaal tien jaar bij hun werkgever in dienst zijn, geldt tot 2020 een overgangsregeling die ervoor zorgt dat zij een hogere transitievergoeding krijgen. Zij hebben voor elk dienstjaar boven hun 50e recht op een vergoeding van een maandsalaris. Werkgevers met minder dan 25 werknemers hoeven deze hogere vergoeding echter niet te betalen. 

Geen recht op een transitievergoeding

De werknemer heeft geen recht op een transitievergoeding in de volgende gevallen:

  • De werknemer is korter dan 2 jaar in dienst geweest;
  • De werknemer is ontslagen door ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer;
  • De werknemer is bij het ontslag nog geen 18 jaar en heeft gemiddeld niet meer dan 12 uur per week gewerkt;
  • De werknemer is ontslagen omdat hij de AOW-leeftijd of andere pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
  • De werkgever is failliet, heeft uitstel van betaling of de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen is van toepassing op de werkgever;
  • In de cao is een gelijkwaardige voorziening voor een transitievergoeding opgenomen;
  • De werknemer is een volgend tijdelijk contract aangegaan vóór het eindigen van een tijdelijk contract. Voorwaarde daarbij is dat het nieuwe contract na maximaal 6 maanden ingaat na het eindigen van het vorige contract (en tussentijds kan worden opgezegd).

 

Betaling van de transitievergoeding

De werkgever moet de transitievergoeding binnen een maand na afloop van de dienstbetrekking uitbetalen aan de werknemer. Doet de onderneming dit niet op tijd dan is zij over de vergoeding 3% wettelijke rente verschuldigd. Over de vergoeding moet de werkgever loonbelasting, premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet inhouden en afdragen aan de Belastingdienst. De onderneming hoeft geen premies werknemersverzekeringen af te dragen over de transitievergoeding.

Conflict tussen werkgever en -nemer

De werknemer dient binnen drie maanden na de dag dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd de zaak voor te leggen aan de kantonrechter, ingeval de werkgever en -nemer een conflict hebben over de transitievergoeding. Bijvoorbeeld omdat de werknemer het niet eens is over de hoogte van de vergoeding of de werkgever de vergoeding niet kan/wil betalen. Doet de werknemer dit niet binnen de termijn van drie maanden, verliest hij zijn recht op een (aanvullende) transitievergoeding.

Kosten in mindering van de transitievergoeding

Heeft de werkgever in de aanloop naar het ontslag van een werknemer zogeheten transitiekosten en inzetbaarheidskosten gemaakt, dan mag hij deze uitgaven in mindering brengen op de te betalen transitievergoeding. Transitiekosten zijn alle kosten van maatregelen die betrekking hebben op het beëindigen van de arbeidsovereenkomst en die worden gemaakt om te voorkomen dat de werknemer zonder werk komt te zitten. Hierbij kan worden gedacht aan de kosten van (om)scholing of een outplacementtraject. Inzetbaarheidskosten zijn kosten die men maakt om de inzetbaarheid van de werknemer te vergroten en dan specifiek buiten de organisatie van de werkgever. Het gaat dan bijvoorbeeld om kosten van scholing, zoals een opleiding in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg, die géén betrekking heeft op kennis en vaardigheden die de werknemer al bij zijn huidige werkgever kan gebruiken.

Indien u meer wilt weten omtrent de transitievergoeding, kunt u contact met ons opnemen.

De vereisten van een rittenadministratie

18-06-2015

Wanneer u een auto op naam van de zaak voor privédoeleinden ter beschikking heeft zal er in veel gevallen een vast forfaitair bedrag bij uw fiscale winst worden opgeteld. Het autokostenforfait is een belasting op het privégebruik van de auto van de zaak. U kunt deze bijtelling vermijden door, op kalenderjaarbasis, niet meer dan 500 privékilometers met de auto te rijden en daar een sluitende kilometeradministratie bij te overleggen. 

De belastingdienst accepteert de administratie in ieder geval als deze sluitend is en kan worden onderbouwd met een agenda en (afschriften van) garagenota's. Er mogen geen hiaten in de administratie zitten. In de rittenregistratie moet het volgende worden vermeld:

  • Het merk van de auto;
  • Het type van de auto;
  • Het kenteken van de auto;
  • De periode waarin u de auto tot uw beschikking hebt;
  • De gegevens per rit.

Per rit moet u de volgende gegevens vermelden:

  • De datum;
  • De begin- en eindstand van de kilometerteller;
  • Het adres van vertrek en het aankomstadres. Als u vanaf uw werkadres naar een afspraak rijdt en daarna weer terug, schrijft u de aankomst- en vertrekadressen op van zowel de heen- als de terugreis;
  • De route die u hebt gereden (alleen als die afwijkt van de gebruikelijkste route);
  • Of het een privé- of een zakelijke rit is;
  • De privé-omrijkilometers als u tijdens dezelfde rit zakelijke kilometers en privékilometers rijdt.

Black box

Een vastlegging van de ritten door middel van een gps-systeem (black box) levert op zichzelf onvoldoende bewijs voor een beperkt privégebruik. De black box legt immers niet vast of het om een privé dan wel zakelijk rit gaat.

Auto van uw werkgever

Bent u in loondienst en gaat u niet meer dan 500 privékilometers met de auto van uw werkgever rijden, dan kunt u een 'Verklaring geen privégebruik auto' aanvragen. Ook met deze verklaring moet u altijd overtuigend bewijzen dat u niet meer dan 500 privékilometers rijdt.

Overschrijdt u in de loop van het jaar toch de grens van 500 km, dan dient u de fiscus vooraf te melden dat u de verklaring intrekt. Wanneer uw werkgever in het loop van het jaar een andere auto ter beschikking stelt, hoeft u geen nieuwe verklaring aan te vragen. De werknemer dient wel zo snel mogelijk het nieuwe kenteken door te geven aan de Belastingdienst. De werkgever is gehouden tijdig de wijzigingen in het wagenpark en in bestuurders in de loonadministratie te verwerken. 

De Belastingdienst vraagt regelmatig bij mensen die een 'Verklaring geen privégebruik auto' hebben gekregen de rittenadministratie op. Ook worden kentekens gefotografeerd bij pretparken, sportstadions en grensovergangen.

Indien u vragen heeft omtrent het privégebruik van uw zakelijke auto, een 'Verklaring geen privégebruik auto' wilt aanvragen of afweegt een auto van de zaak of privé aan te schaffen, kunt u contact met ons opnemen.

Afschaffen zelfstandigenaftrek niet de bedoeling

10-06-2015

De zelfstandigenaftrek zal bij de herziening van het belastingstelsel gewoon blijven. Dit hebben PvdA en de VVD onlangs laten weten bij een discussiebijeenkomst over dit thema. 

Met de zelfstandigenaftrek kunt u als zelfstandige zonder personeel (zzp'er) een bedrag van maximaal € 7.280 van uw winst in de inkomstenbelasting aftrekken. Maar er is al langer discussie over het wel of niet behouden van de zelfstandigenaftrek. De kans bestond namelijk dat het kabinet in de plannen voor de belastingherziening een streep zou zetten door de zelfstandigenaftrek. PvdA en VVD hebben nu aangegeven dat het afschaffen van de zelfstandigenaftrek zeker niet de bedoeling is.

Verschil met werknemer in dienstverband wordt kleiner.

De PvdA geeft aan dat er nu een verschil bestaat tussen een werknemer in dienstverband en een zzp'er. Bij de belastingherziening zou dit verschil kleiner moeten worden door de lasten op arbeid van een werknemer in dienstverband te verlagen. De zelfstandigenaftrek blijft wel in stand, maar kan mogelijk iets veranderen om de zzp'er te prikkelen een arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten. Het zou voor de zzp'er ook makkelijker moeten worden om werknemers aan te nemen. De VVD is stelliger en wil niets veranderen aan de huidige zelfstandigenaftrek. Ondernemers moeten er door de belastingherziening niet op achteruit gaan. Het is nu wachten op voorstellen voor de belastingherziening.

Bron: Rendement

Controle rittenadministratie met politiecamerabeelden toegestaan

04-06-2015

Heeft uw onderneming een auto van de zaak ter beschikking gesteld aan de werknemers? Dan hoeft u geen rekening te houden met bijtelling als zij beschikken over een 'Verklaring geen privégebruik auto' en de werknemer een rittenadministratie bijhoudt. De Belastingdienst controleert deze en mag daarvoor ook camerabeelden gebruiken van de KLPD. Dit bleek onlangs uit een uitspraak van Gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Een werknemer kan alleen een 'Verklaring geen privégebruik auto' aanvragen als hij met de auto van de zaak niet meer dan 500 privékilometers per jaar rijdt. Het is aan de Belastingdienst om dat privégebruik te controleren. Dit kan de fiscus bijvoorbeeld doen aan de hand van een door de werknemer opgestelde rittenadministratie. In deze zaak had de werknemer in 2011 en 2012 een auto van de zaak gekregen. In die jaren beschikte hij over een 'Verklaring geen privégebruik auto' en dus hoefde de werkgever geen rekening te houden met een bijtelling. De inspecteur verzocht de werknemer om het privégebruik over 2011 en 2012 aan te tonen. Als bewijs gaf de werknemer zijn zakagenda aan de inspecteur. Om de gegevens in de agenda te controleren vergeleek de fiscus het gebruik van de auto met camerabeelden van de KLPD.

Geen inbreuk op privacy werknemer

Uit die vergelijking bleek dat de rittenadministratie op bepaalde punten afweek van de camerabeelden. Dit was voor de inspecteur reden om een naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen voor 2011 en 2012 op te leggen. De werknemer vond dat niet terecht en stelde dat het gebruik van deze foto's inbreuk maakte op zijn privacy. Het gerechtshof vond dat het ging om een inmenging van het privéleven, maar wel om een geoorloofde inbreuk op de privacy. Controle van het privégebruik was volgens het gerechtshof gerechtvaardigd en de Belastingdienst probeerde dat systeem zo efficiënt mogelijk in te richten. Een andere methode zou net zo goed een inbreuk op de privacy betekenen. Daarnaast was de gebruikte methode gebonden aan strikte regels en waren de gegevens niet beschikbaar voor derden. De naheffingsaanslagen bleven dus in stand.

Bron: Rendement

VAR wordt afgeschaft en de BGL komt er niet

22-04-2015

Indien u, bijvoorbeeld als freelancer of zzp'er, voor opdrachtgevers werkt, kan het onduidelijk zijn of u dan wel uw opdrachtgevers loonheffingen moeten inhouden en betalen over uw inkomsten. De verklaring arbeidsrelatie (VAR) gaf daar meer duidelijkheid over. Echter gaat de wet- en regelgeving voor de VAR in 2015 veranderen. 

De VAR zou in eerste instantie worden vervangen door de 'Beschikking geen loonheffingen' (BGL). Deze beschikking zou door de belastingdienst worden afgegeven indien zij, op basis van uw aanvraag, vaststellen dat de opdrachtgever geen loonheffing hoeft in te houden en te betalen over uw inkomsten. In het andere geval zou u een afwijzing krijgen.

Intussen kreeg staatssecretaris Wiebes zoveel kritiek op zijn wetsvoorstel waarmee hij de schijnzelfstandigheid van zzp'ers wil bestrijden, dat hij nu aangeeft dat de BGL van de baan is en de VAR (waarschijnlijk) in 2016 vervangen gaat worden door een modelovereenkomst per sector. 

Na overleg met o.a. de vakbonden en werkgeversorganisaties, is er een alternatief voor de BGL tot stand gekomen. In dit nieuwe voorstel gaat de fiscus werken met voorbeeldovereenkomsten per sector. Hierin kunnen opdrachtgevers vooraf in één keer zekerheid krijgen als ze meerdere zzp'ers contracteren voor soortgelijk werk. Daarnaast wordt er in het alternatief onderscheid gemaakt naar sectoren waarin risico's van schijnconstructies groter zijn. Zodoende dalen voor zzp'ers de administratieve lasten. De uitgangspunten van het kabinet voor de vervanging van de VAR blijven daarentegen overeind: verbetering van de handhaving door de belastingdienst en herstel van de balans in verantwoordelijkheden van opdrachtgevers en zzp'ers. 

Het alternatief voor de BGL wordt voorgelegd aan het parlement. De staatssecretaris streeft naar invoering per 1 januari 2016. Tot die tijd blijft de huidige VAR-systematiek gehandhaafd. 

Wilt u meer informatie omtrent bovenstaande, neemt u dan contact met ons op.

Wijzigingen in het arbeidsrecht per 1 juli 2015

02-04-2015

Het arbeidsrecht zal, als gevolg van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ), grote veranderingen ondergaan. Deze wijzigingen worden gefaseerd ingevoerd. Per 1 juli 2015 zal het volgende gaan veranderen:

  • De ketenbepaling wordt aangepast, zodat tijdelijke werknemers eerder een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd krijgen. Dit vaste dienstverband ontstaat na 2 jaar (huidige regeling is 3 jaar) of bij het 4e tijdelijke contract, wanneer deze contracten elkaar binnen 6 maanden opvolgen (huidige regeling is 3 maanden). 
  • De keuzemogelijkheid om ontslag via het UWV of de kantonrechter te laten verlopen verdwijnt. Ontslag na langdurige arbeidsongeschiktheid en om bedrijfseconomische redenen verloopt per 1 juli via het UWV. Terwijl ontslag vanwege persoonlijke redenen via de kantonrechter gaat verlopen. Daarmee wil de overheid bereiken dat procedures minder tijd en geld gaan kosten. 
  • De ontslagvergoeding wordt een transitievergoeding. Een medewerker die op 1 juli ten minste 2 jaar in dienst is geweest, heeft per gewerkt jaar recht op een vergoeding van 1/3 maandsalaris. Vanaf het 10e jaar is dit een half maandsalaris. De vergoeding wordt maximaal € 75.000 of maximaal een jaarsalaris indien dit meer is dan € 75.000. Voor kleine bedrijven komt er een overgangstermijn. Zij mogen tot 2020 een lagere vergoeding betalen als zij personeel gedwongen moeten ontslaan vanwege een slechte financiële situatie. 

Tot slot zal de regeling premiekorting voor werkloze jongeren worden versoepeld. In de huidige regeling kunt u als werkgever in aanmerking komen voor een korting op de premies werknemersverzekeringen van € 3.500 per jaar indien u een jongere met een WW- of bijstandsuitkering in dienst neemt voor tenminste 32 uur per week voor minimaal 6 maanden. Deze korting geldt vanaf 1 juli ook voor dienstverbanden vanaf 24 uur per week. 

Wilt u gebruik maken van de premiekorting voor werkloze jongeren of meer informatie omtrent de wijzigingen uit de WWZ, neemt u dan contact met ons op.

Maak nu nog gebruik van het lage btw-tarief voor verbouwingen aan uw woning

27-03-2015

Bent u van plan uw woning te verbouwen/herstellen/renoveren? Zorgt u er dan voor dat u de verbouwing afrondt voor 1 juli 2015, want alleen dan geniet u nog van het lage btw-tarief. En controleer goed of het juiste btw-tarief is toegepast op de offerte van het klusbedrijf óf de hovenier. Het tijdelijke 6%-tarief geldt namelijk ook voor de aanleg en het onderhoud van de tuin bij uw woning. Leest u hieronder meer voor een uitgebreide omschrijving van deze maatregel.

Onder renovatie- en herstelwerkzaamheden vallen: 
Het vernieuwen, vergroten, herstellen, vervangen en onderhouden van (delen van) de woning. Deze maatregel is alleen van toepassing voor woningen die langer dan twee jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen. Vanzelfsprekend is het 6%-tarief alleen van toepassing op arbeidskosten en niet op de gebruikte materialen. Het verlaagde tarief geldt alleen voor werkzaamheden die zijn afgerond in de periode vanaf 1 maart 2013 tot 1 juli 2015. Werkzaamheden zijn afgerond als de oplevering heeft plaatsgevonden en de opdrachtgever het werk aanvaard heeft.

Enkele voorbeelden van werkzaamheden die ook onder de maatregel vallen:
• Het ontwerpen en vervaardigen van bouwtekeningen door architecten en dergelijke ondernemers als zij ook de renovatie van de woning begeleiden;
• De arbeidskosten van hoveniers voor het aanleggen en onderhouden van tuinen die toebehoren bij woningen die ouder dan twee jaar zijn.

Enkele voorbeelden van werkzaamheden die niet onder het renovatie- en herstelwerk vallen:
• Het aanbrengen, vernieuwen en onderhouden van accessoires aan de binnenkant van de woning. Zoals gordijnen, jaloezieën e.d.;
• Het bestrijden van ongedierte;
• Het slopen van een bestaande woning en het bouwen van een nieuwe woning;
• Overige sloopwerkzaamheden niet in het kader van renovatie- en herstelwerkzaamheden.

Uw aangifte inkomstenbelasting 2014 is bij ons in goede handen

10-03-2015

Kijkt u op tegen het doen van belastingaangifte? Bent u bang om kostbare fouten te maken bij het invullen van uw aangifte? Twijfelt u en hebt u hulp nodig?

Met onze uitgebreide kennis en ervaring van de belastingpraktijk nemen wij uw aangifte graag voortvarend ter hand. Met onze kennis van zaken staan we garant voor het optimaal benutten van uw mogelijkheden tegen een normaal tarief. 

De aangifte dient voor 1 mei bij de belastingdienst binnen te zijn. Wanneer wij uw aangifte echter voor 1 april verzenden, dan krijgt u zeker voor 1 juli bericht van de belastingdienst. Heeft u vorig jaar ook uw aangifte door ons laten verzorgen, vergeet u dan niet het groene dossier mee te nemen. Daarnaast hebben wij voor uw aangifte de volgende stukken nodig:

  • De jaaropgave(n) van 2014;
  • Indien u een eigen woning hebt:
    • de WOZ-beschikking van uw gemeente met peildatum 01-01-2013 of de aanslag OZB die in 2014 door de gemeente is verzonden;
    • uw hypotheekoverzicht 2014;
    • de notarisafrekening (als u in 2014 de eigen woning hebt gekocht of verkocht);
  • Uw voorlopige aanslag 2014 (indien van toepassing);
  • Indien u een lijfrente of verzekering hebt:
    • de lijfrentepolis;
    • het clausuleblad;
    • de betalingsbewijzen;
    • de verklaring pensioenaangroei 2013 (factor A);
    • de inkomensgegevens van 2013;
  • De saldoafschrift(en) van alle bank- en spaarrekeningen en beleggingen per 01-01-2014 (indien van toepassing);
  • Eventuele aftrekposten (alimentatie, specifieke zorgkosten, een voorgeschreven dieet,studiekosten of giften);
  • De openbaarvervoerverklaring (als u met het openbaar vervoer reist tussen uw woning en uw werk).

Wilt u meer informatie? Loopt u dan gerust even binnen of neem telefonisch contact met ons op. 

Per 1 januari 2015 (minimum)loon niet meer contant betalen

29-01-2015

Zoals u wellicht eerder in een nieuwsbrief heeft kunnen lezen zal het arbeidsrecht, als gevolg van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ), grote veranderingen ondergaan. Deze wijzigingen worden gefaseerd ingevoerd.
 
De wijzigingen ten aanzien van flexibele arbeid zijn reeds op 1 januari ingegaan. Wij willen u extra wijzen op één specifieke aanpassing uit deze veranderingen:

Werkgevers mogen hun personeel vanaf 1 januari namelijk niet meer geheel in contant geld betalen. Minimaal het deel van het minimumloon moet per bank worden betaald. Het meerdere boven het minimumloon mag dan wel in contant geld uitbetaald worden. Daarnaast mogen kosten niet worden verrekend met het deel van het minimumloon, zoals bijvoorbeeld huisvestingskosten. Wij adviseren u echter om het gehele nettoloon per bank aan uw werknemer over te maken.
 
Heeft u uw werknemers voor de maand januari reeds contant betaald. Zorgt u er dan voor dat u ze vanaf februari per bank betaalt.

 

Verlaagde tarief dividendbelasting

09-12-2014
Zoals u wellicht weet, geldt in 2014 nog het verlaagde tarief van 22% voor het uitkeren van dividend. In 2015 hanteert de fiscus weer het normale tarief van 25%. Het lijkt dus aantrekkelijk om in 2014 nog gebruik te maken van deze belastingkorting van 3%. Echter dient de tijdelijke tariefverlaging niet de enige drijfveer te zijn. U zult met de volgende punten rekening dienen te houden:

Bij de invoering van de Flex-BV zijn er strikte regels gesteld voor het doen van dividenduitkeringen. De BV moet de balanstest en uitkeringstoets doorstaan. Wanneer de BV na de dividenduitkering bijvoorbeeld haar schulden niet kan betalen, kan dat leiden tot hoofdelijke aansprakelijkheid voor de DGA.

De BV dient bij de uitbetaling aan u 15% dividendbelasting in te houden en af te dragen. U dient de overige 7% te betalen bij uw aangifte inkomstenbelasting 2014. Wanneer u uw uitkering toevoegt aan uw vermogen dient u over dit bedrag vermogensbelasting (1,2%) te betalen. Dit is niet het geval wanneer het vermogen in de BV blijft.

Daartegenover staat dat wanneer er geen uitkering plaatsvindt en de BV het bedrag schuldig blijft aan de DGA, de DGA een vordering krijgt op zijn BV. De BV dient over deze vordering een zakelijke rente te vergoeden. Deze te ontvangen rente is (progressief) belastbaar in box 1. 

Aan de andere kant geldt het verlaagde tarief voor alle uitkeringen tot een bedrag van € 250.000. Uw belastingvoordeel kan dus oplopen tot een netto bedrag van € 7.500. Dit kan zelfs verdubbeld worden wanneer uw fiscaal partner ook van deze regeling gebruik maakt.

Het benutten van de tariefsverlaging kan interessant zijn, maar wij raden u aan hiermee voorzichtig te zijn. Bent u van plan om in 2014 nog dividend uit te keren of wilt u hierover meer informatie? Neemt u dan contact met ons op.

De investeringsaftrek

02-12-2014
De investeringsaftrek is de verzamelnaam van een aantal aftrekposten: de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), de energie-investeringsaftrek (EIA), de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Research & Developmentaftrek (RDA). In dit nieuwsbericht zal de KIA uitgebreid besproken worden, omdat deze het meeste voorkomt. De overige zullen beknopt worden toegelicht.

KIA
Wanneer u in een boekjaar investeert in een bedrijfsmiddel, dan kunt u in aanmerking komen voor de kleinschaligheidsaftrek. Investeren is het aangaan van een verplichting betreffende de aanschaf van een bedrijfsmiddel, maar ook de kosten die behoren bij de voortbrenging van een bedrijfsmiddel. Dit zijn kosten ter verbetering van een bedrijfsmiddel. Onderhoudskosten zijn uitgesloten van de KIA. Bedrijfsmiddelen die niet in aanmerking komen voor investeringsaftrek zijn:
• Bedrijfsmiddelen met een investeringsbedrag van minder dan € 450;
• Bedrijfsmiddelen, zoals woonhuizen, grond, dieren, personenauto’s die niet bestemd zijn voor beroepsvervoer, vaartuigen voor representatieve doeleinden, effecten, vorderingen, goodwill en publiekrechtelijke vergunningen;
• Bedrijfsmiddelen die zijn bestemd voor verhuur of voor gebruik in het buitenland;
• Transacties tussen een lichaam en personen of rechtspersonen (bijvoorbeeld bv’s en nv’s) die voor ten minste een derde deel belang hebben in dat lichaam. Als u bijvoorbeeld aandeelhouder ben van een bv en u verkoopt een bedrijfsmiddel aan de bv, dan heeft de bv geen recht op investeringsaftrek. U kunt hierover overigens wel een verzoek om ontheffing voor de uitsluiting indienen.

Het bedrag dat u van de winst mag aftrekken is afhankelijk van het totaalbedrag dat u per onderneming hebt geïnvesteerd. 
De drempel van de aftrek is € 2.301. Is uw totale investeringsbedrag niet meer dan € 2.300, dan mag u hier niets van aftrekken. Investeert u een bedrag tussen de € 2.301 en € 55.248, dan mag u 28% van dit bedrag van uw winst aftrekken. 
Ligt het investeringsbedrag tussen de € 55.249 en de € 102.311, dan mag u een bedrag van € 15.470 verminderen van uw winst.
Wanneer uw totale investeringsbedrag tussen de € 102.312 en de € 306.931 ligt, mag u € 15.470 verminderd met 7.56% van het deel van het investeringsbedrag boven de € 102.311 van de winst aftrekken.
Als u meer dan € 306.931 investeert, is de kleinschaligheidsaftrek 0%.

Wilt u optimaal gebruik maken van de investeringsaftrek dan is het handig om de tabel goed te bekijken. Komt uw huidige totale investering bijvoorbeeld nog niet boven de € 2.300 uit, dan is het beter om investeringen die voor volgend jaar gepland staan naar voren te schuiven en dit jaar nog te realiseren. 
Anderzijds kan het ook voorkomen dat u nog van plan bent om dit jaar te investeren, maar uw huidige totale investering bedraagt al € 55.000. In dit geval is het voordeliger om de geplande investeringen naar volgend jaar te verschuiven. Zodoende maakt u optimaal gebruik van de aftrek.

EIA
Wanneer u investeert in bedrijfsmiddelen die het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Economische Zaken erkent als energie-investeringen, kunt u kiezen voor de Energie-investeringsaftrek. Het doel van de EIA is het stimuleren van duurzame energie of energiebesparende bedrijfsmiddelen. 

MIA
De Milieu-investeringsaftrek geldt voor ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen op de Milieulijst. Heeft u gekozen voor de EIA, dan kunt u geen MIA krijgen voor dezelfde bedrijfsmiddelen. 

RDA
De Research & Developmentaftrek is een extra aftrekpost voor kosten en investeringen voor de ontwikkeling van innovatieve producten en diensten.

Desinvesteringsbijtelling
Indien een bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na het begin van het jaar waarin de investering is gedaan, wordt verkocht, dan moet de investeringsaftrek geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald. De winst wordt dan in het jaar van de verkoop verhoogd met de desinvesteringsbijtelling. Wanneer de waarde van die bedrijfsmiddelen niet hoger is dan € 2.300, hoeft er ook niets te worden bijgeteld. 

Neemt u contact met ons op, indien u meer informatie wilt over de investeringsaftrek.

Laatste kans om gebruik te maken van het fietsplan

27-11-2014
Maak in 2014 nog gebruik van het fietsplan en geef uw werknemer de mogelijk via het werk een fiets aan te schaffen. Deze regeling vervalt namelijk per 1 januari 2015.

De vergoeding van bedrijfsfietsen valt vanaf dat moment onder de werkkostenregeling. In de WKR mag u niet meer dan 1,2% van de totale loonsom besteden aan vergoedingen van uw personeel. Komt u boven dit percentage, dan moet u een eindheffing van 80% betalen aan de fiscus. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer u uw werknemers een kerstpakket geeft, bovenwettelijke reiskosten vergoedt (het bedrag boven de € 0,19 per zakelijke kilometer) en een groot personeelsfeest geeft. U zult dus keuzes moeten gaan maken, welke kosten van werknemers u wilt gaan vergoeden.

Wanneer u dit jaar nog gebruik wilt maken van het fietsplan dient u te voldoen aan de volgende voorwaarden:

1. U hebt in het lopende kalenderjaar en de 2 jaren daarvoor geen fiets gekocht voor deze werknemer.
2. Uw werknemer dient minimaal op de helft van de werkdagen met de fiets naar het werk te komen. Als u nog een andere vergoeding voor reiskosten biedt, mag u dat voor max. 50 % van de reisdagen doen. (Let op: deze regeling vervalt in 2015. Dus wanneer uw werknemer op 30 december 2014 een fiets aanschaft, hoeft hij maar één dag op de fiets naar het werk te komen.)
3. Uw werknemer mag de fiets ook privé gebruiken.

Heeft u nog vragen of wilt u gebruik maken van het fietsplan, neemt u dan contact met ons op.

Profiteer in 2014 nog van deze voordelen buiten de WKR

17-11-2014
Op 1 januari 2015 is het verplicht de werkkostenregeling (WKR) toe te passen. Deze regeling vervangt de huidige 29 verschillende regelgevingen die er bestaan rondom het maken van vergoedingen en verstrekkingen aan uw werknemers. Wanneer u nog geen gebruik maakt van de WKR, heeft u dus nog een dikke maand de tijd om hiervan te profiteren. Dit kan onder andere door onderstaande zaken die volgend jaar in de zogenoemde 'vrije ruimte' vallen, nu onbelast te vergoeden en te verstrekken. 

Fiets van de zaak
U mag uw personeel eens per drie jaar een fiets tot € 749 onbelast verstrekken of vergoeden. Deze moet dan wel meer dan de helft van de dagen waarop gewerkt wordt, gebruikt worden voor het woon-werkverkeer.
Daarnaast mag u nog € 82 vergoeden voor fietsaccessoires, alsmede een fietsverzekering voor maximaal drie jaar. 

Cadeaus
Voor cadeaus, zoals een kerstpakket, niet duurder dan € 70 incl. btw, betaalt u in de oude regeling 20% eindheffing. Wanneer u volgend jaar de vrije ruimte, waar cadeaus in vallen, overschrijdt, dan betaalt u 80% eindheffing.

Verstrekkingen met een ideële waarde (geen gebruikswaarde) zijn nu nog onbelast. Zoals de gouden pen en het gouden horloge met inscriptie van een heugelijk feit.
Vanaf volgend jaar worden ze belast voor de volledige winkelwaarde. 

Inrichting werkplek thuis
U mag uw personeel dat minimaal één dag per week thuis werkt, eens in de vijf jaar een onbelaste vergoeding geven van € 1.815 voor de inrichting van de werkplek. Houd u dan wel rekening met een aantal formele eisen, zoals het opstellen van een contract.

Heeft u nog vragen omtrent bovenstaande, neemt u dan contact met ons op.

Wijziging bijtellingspercentage auto

03-11-2014
Uit een brief van staatssecretaris Wiebes aan de Tweede Kamer, blijkt dat de CO2-normen voor de fiscale bijtelling van zakelijke auto’s flink worden aangescherpt. Wanneer de plannen door het kabinet worden goedgekeurd, zal deze wijziging ingaan op 1 januari 2016. 

Echter heeft dit geen invloed op bestaande contracten. Auto’s waarvan het kenteken namelijk voor het eerst op naam is gesteld voor 1 januari 2016, behouden gedurende maximaal 60 maanden het bestaande bijtellingspercentage.

Als de plannen doorgaan, verdwijnen de bijtellingspercentages van 0% en 4%. Ook voor de categorieën met een bijtelling van 14% en 20% wordt de lat hoger gelegd. U heeft dus nog ruim een jaar de tijd om gebruik te maken van de huidige regeling, zodat u vervolgens maximaal 60 maanden profiteert van de huidige lagere bijtellingspercentages.

Wilt u meer informatie over bovenstaand onderwerp, neemt u dan gerust contact met ons op.