Fiscale tips en belastingadvies

Bijtelling privégebruik auto

22-08-2017

Als u jaarlijks meer dan vijfhonderd privékilometers rijdt in een auto die tot het ondernemingsvermogen behoort, moet u in de inkomstenbelasting een bijtelling betalen. Ook werknemers aan wie een lease-auto voor privégebruik ter beschikking wordt gesteld door de werkgever, betalen deze bijtelling. 

De bijtelling voor privégebruik is afhankelijk van de geldende tarieven op het moment waarop het eerste kenteken van de auto is afgegeven. Dit percentage is voor auto’s op kenteken gezet tussen 1 juli 2012 en 31 december 2016 vervolgens zestig maanden van toepassing. Vanaf 1 juli 2017 is de termijn verlopen voor de eerste auto’s die na 1 juli 2012 op kenteken zijn gezet. De bijtelling wordt dan voor die auto´s gesteld op 25% van de aanschafkosten.

De gevolgen zijn vooral groot voor hybride auto´s. Deze auto´s vielen in een laaf tarief, bijvoorbeeld 14%, en zullen na de 60-maandentermijn rekening moeten houden met een bijtelling van 25%. Voor volledig elektrische auto´s gelden verschillende uitzonderingen. Toch kan ook het bijtellingspercentage voor deze auto wijzigen. 

Aan de hand van onderstaande voorbeelden zullen we de nieuwe situaties verduidelijken.

Situatie 1: Auto ter beschikking gesteld voor 1 juli 2012

Is de auto ter beschikking gesteld vóór 1 juli 2012 dan geldt er geen 60-maanden termijn. Zolang de auto niet wisselt van eigenaar of terbeschikkinggestelde geldt de onafgebroken kortingsregeling. Geniet je een korting op het 25% tarief, dan blijft deze gelden. Echter, deze onafgebroken kortingsregeling wordt beperkt door het overgangsrecht (Horizonbepaling 2017). De korting vervalt ingaande 1-1-2019.

Voorbeeld: auto op kenteken 30 juni 2012
De bijtelling bedraagt 14% (25% -/- 11% korting). De korting mag uiterlijk worden toegepast tot en met 31-12-2018.

> Bijtelling t/m 2018: 14%
> Bijtelling vanaf 2019: 25%

Situatie 2: Auto ter beschikking gesteld op of na 1 juli 2012

Is de auto ter beschikking gesteld op of na 1 juli 2012 dan geldt de 60-maanden termijn wel. De toe te passen korting geldt dan 60 maanden. Aan het eind van die 60 maanden moet je aan de hand van de dan geldende wetgeving opnieuw bepalen of er een korting van toepassing is. Is dat niet het geval, dan geldt op basis van het overgangsrecht (Horizonbepaling 2017) het percentage van 25%.

Voorbeeld: auto op kenteken 1 juli 2012: 
De bijtelling bedraagt 14% (25% -/- 11% korting). Op 1 juli 2017 heeft de auto op basis van de CO2-uitstoot grenzen in 2017 geen recht meer op korting.  

> Bijtelling t/m 30 juni 2017: 14%
> Bijtelling vanaf 1 juli 2017: 25%

Situatie 3: Auto ter beschikking gesteld op of na 1 januari 2017

Het maximum tarief voor auto’s op of na 1 januari 2017 is 22%. Dit is ook het uitgangspunt bij het verstrijken van de 60 maanden termijn in de toekomst.

> Met CO2 uitstoot: 22%
> Zonder CO2 uitstoot: 4%

Bron: Salarisnet

 

Onbetaalde facturen: zoveel geld laat je liggen

15-08-2017

Een klant die te laat betaalt, klinkt op het eerste oog onschuldig. Maar elke dag dat een factuur te lang openstaat, verlies je geld. Onbetaalde facturen kosten meer dan je denkt. Lees verder wat je hieraan kunt doen.

Door het saldo van de debiteuren te verminderen, kun je bijvoorbeeld leveranciers eerder betalen en heb je minder geld van de bank nodig. Dit geld kun je dan steken in de groei van je bedrijf. De meerderheid van alle mkb'ers die kampen met wanbetalers schrijft jaarlijks af op vorderingen. Hoeveel geld ze mislopen, weet een groot deel van de ondernemers niet eens. Maar de bedragen lopen op van enkele honderden tot duizenden euro's per maand. 

De praktijk laat zien dat ondernemers te veel vertrouwen hebben in hun klanten. Ze gaan er onterecht vanuit dat die betaling wel goedkomt. En dat is onverstandig, want de gevolgen van onbetaalde rekeningen en oplopende betaalachterstanden kunnen enorm zijn. Bij startende bedrijven is 35 procent van de faillissementen zelfs het gevolg van slecht debiteurenbeheer.

Snel factureren levert direct geld op

Klanten te veel betalingsruimte geven zorgt ervoor dat ondernemers geld mislopen. Verbetering van het debiteurenbeheer kan dus direct winst opleveren. Hoeveel? Dat is maar net hoe je het bekijkt. Als ondernemer zal je er rekening mee moeten houden dat je niet altijd je geld krijgt. Dat hoort nu eenmaal tot het ondernemersrisico. 

Maar elke dag dat een factuur minder lang openstaat, levert direct geld op. Dat bedrag is te achterhalen door te kijken naar het aantal dagen dat facturen van een bedrijf gemiddeld openstaan: het Days Sales Outstanding (DSO).

Hoeveel geld laat je liggen?

Het gemiddelde DSO in Nederland is 48 dagen. Dit is al aan de hoge kant, maar bij mkb'ers ligt het gemiddelde nog veel hoger, namelijk op zo'n 80 dagen. Voor hen hanteren we daarom de vuistregel dat een DSO tot 50 dagen acceptabel is. Blijven facturen langer onbetaald, dan is het zinvol om het debiteurenbeleid aan te scherpen en kritisch te kijken naar de klanten waarmee je zaken doet. 

Het eigen DSO is uit te rekenen met de volgende formule:

(Openstaand bedrag / Omzet) x 365 = DSO

1200 euro op jaarbasis

Stel, een bedrijf heeft een omzet van 1.000.000 euro en een openstaand saldo van 200.000 euro. Dan heeft dit bedrijf dus een DSO van 72 dagen. Ervan uitgaande dat dit bedrijf leent tegen 6 procent bij de bank, dan kost de DSO 12.000 euro aan rente op jaarbasis. Dit is 166 euro per dag.

Op het moment dat dit bedrijf er in slaagt een DSO-verlaging van 10 procent te bereiken in 12 maanden, levert dit aan rentewinst 1200 euro op jaarbasis op. Het levert het bedrijf daarnaast ook een sterke cashflowverbetering op. Namelijk 10 procent van 200.000 euro is 20.000 euro cashflow positieverbetering. 

Conclusie: De DSO verlagen met 10 procent levert dit voorbeeldbedrijf op jaarbasis het volgende op:

  • 1200 euro meer winst
  • 20.000 euro verbetering cashflow

Je DSO verlagen kost tijd. Je debiteurenbeheer pas je niet van vandaag op morgen aan. Het is belangrijk om te beginnen bij het op papier zetten van heldere betaalafspraken met de klant, het op tijd en goed factureren tot aan een duidelijk opvolgbeleid als je klant niet heeft betaald.

Bron: Sprout

Testament voor samenwoners?

08-08-2017

Als ongehuwde partners al jarenlang op hetzelfde woonadres staan ingeschreven en een gemeenschappelijke huishouding voeren, zijn ze dan ook erfgenamen van elkaar? Wat zegt de wet? Wat is goed om te weten? Wat is raadzaam?

Praktijkvoorbeeld:

Wim en Trees wonen al ruim dertig jaar samen. Ze zijn ongehuwd en hebben geen kinderen. Omdat ze vertrouwen hebben in hun goede relatie, vinden ze het niet nodig om iets op papier te zetten. Mocht de relatie al spaak lopen, dan komen ze er onderling wel uit.

Wim is DGA van een BV. Hij heeft de onderneming overgenomen van zijn overleden vader, maar sindsdien heeft hij ruzie met zijn broers en zussen. Die vinden dat hij het bedrijf goedkoop heeft gekregen. Daarom hebben ze alle contact met hem verbroken. 

Sinds Wim de onderneming heeft overgenomen, maakt de BV elk jaar winst. Daarvan heeft Wim een bedrijfspand aangekocht en een woonhuis laten bouwen. Ook heeft Wim zowel voor zichzelf als voor Trees een nieuwe auto gekocht. Samen kunnen ze er goed van leven. Dat zijn familie daar problemen mee heeft, is jammer voor hen, maar daar zit hij niet mee. 

Geen erfgenaam

Dan overlijdt Wim plotseling. Omdat ze niet getrouwd waren, is Trees niet automatisch zijn enige erfgename. Daarvoor had Wim een testament moeten maken. Maar dat heeft hij niet gedaan. Ook is er bij de notaris geen samenlevingsovereenkomst opgesteld met een verblijvingsbeding voor gemeenschappelijke goederen, bankrekeningen, vervoermiddelen, het woonhuis en de inboedelgoederen.

Als iemand ongehuwd overlijdt zonder achterlating van afstammelingen en zonder een testament te hebben gemaakt, dan bepaalt de wet wie zijn erfgenamen zijn. In dit geval zijn dat de broers en zussen van Wim met wie hij al jarenlang ruzie heeft en met wie hij nooit meer contact heeft gehad. 

Twee dagen na zijn overlijden staan de broers en zussen van Wim bij Trees op  de stoep met het vriendelijke doch dringende verzoek om het pand zo snel mogelijk te verlaten. Ze mag alleen haar eigen kleding en persoonlijke sieraden meenemen. Het woonhuis, de bankrekeningen, de auto's en de inboedel zijn eigendom van de gezamenlijke erfgenamen en hetzelfde geldt voor het bedrijfspand en de BV-aandelen.

Nut van een testament

Wim had deze problemen voor Trees vrij eenvoudig kunnen voorkomen door een testament te maken waarin hij haar tot zijn enig erfgename had benoemd. Zijn broers en zussen hadden dan buitenspel gestaan.

Trees kan dan een beroep doen op de hoge erfbelastingvrijstelling (2017: € 638.089,-) zoals die ook geldt voor gehuwden.

Mocht Trees geen interesse hebben in het voeren van de onderneming, dan had Wim in het testament een legaat kunnen opnemen voor de BV-aandelen en het bedrijfspand ten gunste van zijn beoogde bedrijfsopvolger. In zo'n legaat kan worden bepaald dat de bedrijfsopvolger de waarde moet verrekenen met Trees (met een gunstige betalingsregeling!). Dan was Trees niets tekortgekomen en was de continuïteit van de onderneming gewaarborgd.

Bron: Tips & Advies - Belastingen

 

Zelfs zonder zekerheid geen onzakelijke lening

25-07-2017

Het leerstuk van de onzakelijke lening speelt de laatste jaren fiscaal een grote rol. Het gaat dan om leningen tussen gelieerde partijen zonder 'zakelijke' voorwaarden. De rechter heeft hierover onlangs een interessante uitspraak gedaan.

In deze zaak voor het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29-11-2016 gaat het om een moedermaatschappij die een belang van 25% houdt in een andere BV. Deze dochter-BV houdt zich bezig met projectontwikkeling. Er is grond aangekocht waarop een hotel moet verrijzen. De financiering hiervan is deels door de aandeelhouders en deels door de bank opgebracht.

Omdat het project maar niet van de grond wil komen, besluit de moedermaatschappij haar vordering deels af te waarderen. Zij is van mening dat het aannemelijk is dat deze niet meer (geheel) zal worden terugbetaald. Daarbij speelt tevens mee dat de economische crisis in de vastgoedwereld inmiddels hard heeft toegeslagen. 

Standpunt inspecteur

De inspecteur accepteert deze afwaarderingen niet. Naar zijn mening is er allereerst sprake van een onzakelijke lening. De lening is namelijk verstrekt zonder dat de dochter-BV hiervoor zekerheid (hypotheek- of pandrecht) heeft verleend. Bovendien is ieder jaar de rente op de lening bijgeschreven. Daarnaast zou er volgens de inspecteur geen reden zijn tot afwaarderen omdat het project nog steeds loopt en dit op termijn wel degelijk nog winstgevend kan worden.

Er is sprake van een onzakelijke lening als er tussen gelieerde partijen een lening is aangegaan met dusdanige voorwaarden dat een onafhankelijke derde deze niet (onder dezelfde voorwaarden) had willen verstrekken, zelfs niet tegen een hogere rentevergoeding. Het gevolg van de kwalificatie als onzakelijke lening is dat de schuldeiser deze niet ten laste van zijn winst kan afwaarderen. Hij heeft namelijk deze 'zachte' leningsvoorwaarden uit hoofde van zijn gelieerdheid/aandeelhouderschap toegestaan.

Wat zegt de rechter?

Het hof concludeert dat er geen sprake is van een onzakelijke lening. De bewijslast hiervoor ligt bij de inspecteur. Hij is er onvoldoende in geslaagd om aan te tonen dat een onafhankelijke derde deze lening niet zou willen verstrekken. Mede vanwege de toenmalige gunstige marktomstandigheden in de vastgoedsector was dit niet ondenkbaar. 

De afwaardering wordt echter toch niet toegestaan. De rechter is het namelijk met de inspecteur eens dat er nog redelijke vooruitzichten zijn op terugbetaling.

Commentaar

Als u op dit moment betrokken bent in een discussie omtrent een onzakelijke lening, dan is het belangrijk u te realiseren dat de bewijslast bij de inspecteur ligt. Hij moet aantonen dat een onafhankelijke derde eenzelfde lening niet zou hebben willen verstrekken. Zoals uit deze uitspraak blijkt, is dat niet altijd eenvoudig. Het ontbreken van bijvoorbeeld een zekerheidsrecht lijkt onzakelijk, maar hoeft dat niet altijd te zijn. Als de bank ook een lening wil verstrekken, maar u besluit dit binnen uw concern te financieren, leg dit dan goed vast. Dit kan u helpen in een mogelijk latere discussie met de inspecteur.

Bron: Tips & Advies - Belastingen

Veel per kas, grote controlegevolgen voor BV en DGA

11-07-2017

Wat speelde er laatst bij de belastingcontrole van een BV, waarbij betalingen vaak en voor grote bedragen per kas (contant) plaatsvonden? Hoezo kreeg deze controleaandacht van de Belastingdienst grote gevolgen voor de DGA?

In een procedure voor het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ging het om een BV die bemiddelt tussen varkensslachterijen en uitzendbureaus in Duitsland. Naar eigen zeggen huurt men personeel in van de uitzendbureaus en verhuurt men deze mensen vervolgens aan de slachterijen.

De facturen aan de slachterijen lopen via de bank. De betalingen aan de uitzendbureaus vinden echter volgens de administratie contant plaats. De toch aanzienlijke bedragen worden niet giraal voldaan en zijn zodoende moeilijk te traceren. 

Belastingcontrole

Naar aanleiding van een gerechtelijke strafprocedure in Duitsland naar de DGA van de BV start de Nederlandse fiscus een boekenonderzoek. Daar concludeert zij dat deze kasbetalingen niet goed worden vastgelegd. Er is geen deugdelijke kasadministratie.

Bovendien constateert de fiscus dat de inkoopfacturen van de uitzendbureaus naar alle waarschijnlijkheid vervalst zijn. Waarschijnlijk heeft de DGA zo geprobeerd zijn winst in de BV te beperken en zijn de kasbetalingen ten goede gekomen aan zijn eigen portemonnee.

De fiscus stelt in ieder geval vast dat er niet is voldaan aan de administratieplicht. Dit heeft tot gevolg dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. Het is nu aan de BV om overtuigend aan te tonen dat hetgeen door de fiscus wordt gesteld niet klopt.

Bovendien kan een gebrekkige administratie ook een reden zijn om bestuurdersaansprakelijkheid in te roepen. Als de BV de navorderingsaanslagen niet kan voldoen, zal de fiscus proberen de DGA hiervoor in privé aansprakelijk te stellen. Een ondeugdelijke administratie is een sterk argument dat hij niet heeft voldaan aan zijn bestuurlijke plichten.

De rechter stelt de fiscus in het gelijk. niet alleen worden de navorderingsaanslagen voor in totaal zo'n € 200.000,- gehandhaafd, daarnaast staat de rechter toe dat de fiscus hierop een vergrijpboete van 80% berekent. Concreet zal dit betekenen dat de BV failliet gaat. De fiscus heeft sterke middelen om deze belastingschuld vervolgens te verhalen op de DGA.

Deugdelijke kasadministratie

Deze uitspraak maakt wederom duidelijk dat een deugdelijke kasadministratie belangrijk is. Dit betekent allereerst dat er goed moet worden bijgehouden welke betalingen en ontvangsten er per kas plaatsvinden. Daarmee verband houdende kassabonnen, kwitanties en facturen moeten ook in de kasadministratie worden opgenomen.

Vervolgens moet u periodiek de stand van de kas controleren. Dit doet u door het in de kas aanwezig geld op te tellen en dit saldo te vergelijken met het saldo dat uit de kasadministratie volgt. Uiteraard moeten deze twee bedragen aan elkaar gelijk zijn. Leg deze controle vast in uw kasadministratie zodat u hiermee later aan de fiscus kunt aantonen 'in control' te zijn.

Bron: Tips & Advies - Belastingen

Levert slordige rittenstaat boete op?

27-06-2017

Als u onder de bijtelling voor de auto van de zaak uit wilt komen, is een sluitende rittenstaat vrijwel altijd noodzakelijk. Wat besliste de rechter hierover?

Om onder de bijtelling voor de auto van de zaak uit te komen, is een sluitende rittenadministratie welhaast onvermijdelijk, maar niet wettelijk voorgeschreven. Wat als die rittenstaat niet deugt? Kunt u dan alleen een naheffing verwachten of ook een forse boete?

Een BV ontving een forse naheffing van bijna € 75.000,- met een boete van bijna € 65.000,- vanwege het niet aangeven van de door de DGA gebruikte auto van de zaak. De DGA vocht de naheffing en boete aan tot bij de Hoge Raad. De DGA kon in dit geval niet bewijzen dat de auto door hem niet meer dan 500 kilometer privé was gebruikt. De rittenadministratie voldeed niet aan de fiscale eisen. Dit is weliswaar niet wettelijk vereist, maar dan zal op een andere wijze bewezen moeten worden dat de auto niet meer dan 500 kilometer privé is gebruikt. Hierin slaagde de DGA echter niet. De naheffing bleef dan ook in stand.

Volgens de rechters was een boete echter niet op zijn plaats. De rechters waren net als de inspecteur van mening dat de rittenadministratie slordig was, maar dit betekent nog niet dat er sprake was van opzet of grove schuld. Bovendien is een rittenadministratie niet wettelijk vereist en zou het in principe zelfs mogelijk zijn dat er niet meer dan 500 privékilometers met de auto waren gereden.

Het bijhouden van een goede rittenadministratie volgens de voorschriften van de fiscus is geen sinecure, alle technische hulpmiddelen die daarvoor heden ten dage aanwezig zijn ten spijt. Een fout is dan ook zo gemaakt en het is geruststellend te weten dat er dan niet automatisch een boete kan volgen. Dat kan alleen als de inspecteur hard kan maken dat er sprake is van opzet of grove schuld, hetgeen in de regel niet mee zal vallen. Dat u slordig bent met uw rittenstaat, is dus onvoldoende. Uiteraard blijft rechtovereind dat iemand die bewust sjoemelt door bijvoorbeeld een privé-rit als zakelijk aan te merken, nog steeds een forse boete kan verwachten. Maar dat is dan ook terecht! 

Bron: Tips & Advies - Belastingen


Bekijk hier ons nieuwsarchief