Fiscale tips en belastingadvies

Zonnepanelen

06-02-2018

Bent u van plan om zonnepanelen aan te schaffen of heeft u ze reeds aangeschaft? Wij helpen u met de administratieve verwerking en vragen voor u de btw op de aanschaf en installatie terug.

Wanneer u als particulier zonnepanelen aanschaft heeft u recht op een teruggave van de aanschaf van de zonnepanelen. Hiervoor dient u bij de Belastingdienst aangemeld te worden als ondernemer voor de btw. Wanneer u niet aangemeld wordt als ondernemer, kunt u de btw die aan u in rekening is gebracht voor de aanschaf en installatie van de zonnepanelen ook niet terugkrijgen. 

Naast de btw die u betaald heeft moet u ook de verschuldigde btw opgeven. Dit is de btw berekend over de stroom die u aan het energiebedrijf levert en die u in dezelfde periode zelf verbruikt. Aangezien dit in de praktijk meestal niet is vast te stellen, mag u gebruikmaken van de forfaitaire bedragen (zie onderstaande tabel). Het forfaitaire bedrag dat u moet gebruiken, hangt af van het opwekvermogen van uw zonnepanelen. Als u gebruikmaakt van deze forfaits, mag u geen btw in rekening brengen aan uw energiebedrijf.

Opwerkvermogen in Wattpiek (Wp) per jaar Forfait
0 - 1000 € 20
1001 - 2000 € 40
2001 - 3000 € 60
3001 - 4000 € 80
4001 - 5000 € 100
5001 - 6000 € 120
6001 - 7000 € 140
7001 - 8000 € 160
8001 - 9000 € 180
9001 - 10.000 € 200

Voor geïntegreerde zonnepanelen gelden andere forfaits!

Ontheffing van administratieve verplichtingen

In de jaren na de aanschaf van de zonnepanelen kunt u ontheffing krijgen van administratieve verplichtingen, zoals het doen van btw-aangifte. U komt hiervoor in aanmerking als o.a. de btw  die u verschuldigd bent € 1.345 of minder is (de zogenoemde kleineondernemersregeling). 

Zzp'ers

Bovenstaande geldt enkel voor particulieren. Zzp'ers zijn (in haast alle gevallen) immers al ondernemer voor btw. Ze krijgen de btw op de aanschaf en installatie van de panelen weliswaar terug, maar dit voordeel verdampt langzaam. Doordat ze in de meestal gevallen niet onder de grens van € 1.345 verschuldigde btw belanden, dient de btw van de opbrengst nog in jaren (zolang ze ondernemer zijn) te worden opgegeven. Daarnaast mogen ze ook geen gebruikmaken van de forfaitaire bedragen en dienen de daadwerkelijke btw te berekenen over de opgewekte energie. 

Wanneer de zonnepanelen tot een (huwelijks) goederengemeenschap behoren, kan alleen de persoon die op de energienota staat vermeld zich aanmelden als ondernemer. Indien uzelf zzp'er bent en uw partner niet, zorg er dan voor dat uw partner de persoon is die vermeld staat op de energienota. Op die manier kunt u de btw van de aanschaf en installatie terug ontvangen (minus het forfait) en kunt u direct op grond van de kleineondernemersregeling ontheffing krijgen op de btw-verplichting.

Neem gerust contact met ons op indien u vragen heeft betreffende de btw-heffing en zonnepanelen. Wij helpen u graag met de administratieve verwerking en vragen de btw voor u terug.

 

 

Loterij voor uw werknemers, altijd prijs voor de fiscus?

16-01-2018

Een gokje wagen via de baas? Dat kan, maar het blijft fiscaal nauw luisteren. Wat bewijst een uitspraak van de rechter over een bedrijf waar werknemers een lot kregen omdat ze minstens drie nieuwe collega's hadden aangebracht.

Tourpoules, WK-poules (toegegeven, de belangstelling zal volgend jaar waarschijnlijk wat minder zijn nu Oranje niet meedoet), roulette op personeelsavonden en bedrijfsfeesten, enz., het gebeurt allemaal. 

Maar opgepast, de fiscus is nooit ver weg! Dat bleek maar weer eens bij een zaak bij het Gerechtshof Amsterdam, waar een gelukkige werknemer van zijn werkgever een loterijprijs van maar liefst €20.031,- in ontvangst mocht nemen. Het probleem daarbij was de fiscus. Want, zo was de vraag, vormde deze prijst (belast) loon? 

Loterij georganiseerd door bedrijf

Een bedrijf had blijkbaar problemen om nieuwe werknemers te vinden. Daar werd een originele oplossing voor bedacht: er werd een loterij georganiseerd. Werknemers die ten minste drie nieuwe collega's hadden aangebracht, kregen een lot en mochten meedoen. De hoofdprijs bestond uit een mooi bedrag: €20.031,- belastingvrij, of toch niet?

De werkgever wist het niet en vermeldde het bedrag op de jaaropgaaf. De werknemer nam de gok en gaf de prijs niet aan als loon. Dat deed hij evenmin met een bonus van €3.205,-. De inspecteur ging uiteraard af op de jaaropgave van de werknemer en wilde naast het gewone loon ook de bonus en de loterijprijs belasten. Dat was de rechtbank met hem eens en in hoger beroep belandde de zaak bij het Gerechtshof Amsterdam. 

Wat vond de fiscus ervan?

De inspecteur was van oordeel dat de  door een werknemer gewonnen prijs in een door zijn werkgever georganiseerde loterij loon uit dienstbetrekking vormde. De geldprijs zou namelijk - naar maatschappelijke opvattingen - aan de dienstbetrekking moeten worden toegerekend. Belangrijk voor de vraag of er sprake is van loon, is het (causale) verband tussen de prijs en de dienstbetrekking.

Niet doorslaggevend was de vraag, aldus de inspecteur, of de prijs daadwerkelijk een beloning vormde voor de door de werknemer verrichte arbeid. Bovendien was het zo dat de werknemer wel (enige) inspanning moest verrichten om nieuwe collega's te strikken. Een zuiver kansspel was het dus niet geweest, deze loterij. Bovendien waren het alleen maar (bestaande) werknemers die aan deze loterijactie konden meedoen. 

De werknemer verdedigde zich door een vergelijking te maken met de staatsloterij. Want wat als hij nou van de baas een lot hiervoor had gekregen waarop de hoofdprijs was gevallen? Was die prijs dan ook loon? Nee, toch zeker! Maar die vergelijking ging volgens de rechter niet op. Deze loterij was namelijk door de werkgever georganiseerd. Bij de staatsloterij ligt dat uiteraard heel anders.

Kijk uit met kansspelen die vanuit uw positie als werkgever  zijn georganiseerd. Gewonnen prijzen zijn dan fiscaal belast loon. Loten van bijvoorbeeld de staatsloterij uitdelen, kan natuurlijk wel: het lot is dan loon, een gewonnen prijs echter niet. 

Bron: Tips & Advies - Belastingen 

Wanneer kiest u voor afkoop van uw pensioen in de BV?

09-01-2018

U mag sinds 1 juli 2017 niet langer pensioen in eigen beheer opbouwen. U moet kiezen: afkopen, omzetten in een oudedagsverplichting (ODV) of het opgebouwde pensioen laten staan. Welke afwegingen spelen er mee bij uw keuze?

Als u uw pensioen in eigen beheer afkoopt, wordt de fiscale waarde van het pensioen uitgekeerd. Deze uitkering wordt progressief belast in box 1. Als u in 2018 besluit tot afkoop van het pensioen, krijgt u 25% korting op de afkoopwaarde. In 2019 bedraagt de korting 19,5%.

Beweegredenen tot afkoop

Voor iedere situatie is het weer anders welke keuze het beste is. We bespreken de belangrijkste argumenten om wel voor afkoop te kiezen. 

Door de kortingsregeling is het belastingtarief waartegen u afkoopt relatief laag. Voor de meeste situaties komt dit rond de 35% uit. Dit is lager dan het tarief waartegen salaris, e.d. belast wordt. Na de AOW-leeftijd is het tarief in de laagste schijf circa 19%. Maakt u deze schijf te zijner tijd niet vol, dan is afkopen wellicht niet het voordeligst. 

Als er gekozen wordt voor afkoop, heeft de BV daarna geen pensioenverplichting meer. Dit geeft maximale flexibiliteit. De verplichting belemmert de BV niet meer in eventuele dividenduitkeringen. De BV kan eventueel verkocht of ontbonden worden. Tevens is de commerciële waarde van het pensioen verdwenen en is enkel de fiscaal lagere waarde uitgekeerd. De commerciële balans laat dus een betere solvabiliteitspositie zien. Ook voor toekomstige inkomensplanning heeft u de maximale flexibiliteit. De BV is niet meer gebonden aan de vastgestelde bedragen in een pensioenovereenkomst.

Zolang de BV een pensioenverplichting heeft, moet er nog wel jaarlijks opgerent worden. Als de BV dit nu of in de toekomst niet meer kan verrekenen met opbrengsten, levert deze dotatie geen belastingvoordeel meer op.

Let op de voorwaarden

Na het besluit tot afkoop moet de loonheffing binnen één maand afgedragen worden. De BV  moet dus over voldoende liquiditeiten beschikken om deze loonheffing te kunnen betalen. Als DGA heeft u recht op de netto-uitkering van de fiscale waarde minus de loonheffing. Deze hoeft niet in liquiditeiten aanwezig te zijn. Deze kan bijvoorbeeld ook verrekend worden met een rekening-courantschuld aan de BV of omgezet worden in een lening. 

Als de BV niet voldoende vermogen heeft, dan kan bij afkoop niet de volle waarde aan de DGA uitgekeerd worden. Aangezien er wel afgerekend moet worden over de fiscale waarde minus de korting, is het nadelig om af te kopen terwijl niet de volledige waarde uitgekeerd kan worden. Staat het pensioen onder water, bekijk dan de mogelijkheden om af te zien van het niet voor verwezenlijking vatbare deel van het pensioen. Als u aan de voorwaarden voldoet, kunt u dan afzien zonder afrekening over deze waarde.

De (ex-)partner moet instemmen met de afkoop. Heeft de (ex-)partner ook rechten, bijvoorbeeld in de vorm van nabestaandenpensioen of zou hij rechten krijgen bij een echtscheiding, dan moet de (ex-)partner hier ook voor gecompenseerd worden. 

Bron: Tips & Advies - Belastingen

 

Meer rendement dankzij huurtoeslag

02-01-2018

Als u een woning aan uw kind verhuurt, dan heeft uw kind onder voorwaarden recht op huurtoeslag. Als u het goed aanpakt, kunnen zijn lasten beperkt worden terwijl u toch een leuk rendement maakt. Waar moet u dan op letten?

De huizenprijzen zitten weer in de lift en dat maakt de toegang tot de woningmarkt er voor jongeren niet eenvoudiger op. Misschien kunt u een helpende hand toesteken door een woning te kopen en deze aan uw kind te verhuren. Onder voorwaarden heeft uw kind dan recht op huurtoeslag. Bovendien kunt u nog een leuk rendement maken ook.

Recht op huurtoeslag?

Uw kind krijgt in beginsel alleen huurtoeslag als hij minstens 18 jaar is, een huurcontract heeft getekend en huur betaalt, een woning met eigen woon-/slaapkamer, keuken en wc heeft, ingeschreven staat op het adres en de Nederlandse nationaliteit of een verblijfsvergunning heeft, net als zijn eventuele toeslagpartner. 

Voor jongeren tot 23 jaar mag de huur niet minder zijn dan € 223,42 en niet meer dan € 414,02. Het inkomen mag niet meer dan € 22.200,- bedragen (met eventuele toeslagpartner niet meer dan € 30.150,-). Eventueel ontvangen studiefinanciering telt daarbij niet mee. Is uw kind 23 jaar of ouder, dan mag de maximale huur niet meer dan € 710,68 zijn. 

Of uw kind huurtoeslag krijgt en hoeveel, hangt dus af van de huurprijs, zijn inkomen, zijn leeftijd en zijn woonsituatie. Ook mag uw kind niet meer dan € 25.000,- aan vermogen hebben (met een eventuele toeslagpartner niet meer dan € 50.000,-). 

Voorbeeld. Uw zoon is 24 jaar, studeert nog en heeft een bijbaantje. Zijn inkomen is € 10.000,- per jaar. U koopt een appartement van € 200.000,- en verhuurt dit voor € 650,- per maand. De huurtoeslag bedraagt dan € 3.960,- per jaar. Uw zoon is aan woonlasten dus € 3.840,- per jaar kwijt.

Aandachtspunten

U moet een reële huur berekenen. Informeer eventueel bij een woningverhuurder of makelaar wat de gangbare huurprijzen zijn. Het is van belang een zo hoog mogelijke huur af te spreken, want dit levert een hogere huurtoeslag op. U moet wel onder de genoemde maxima blijven, anders vervalt de huurtoeslag. 

Een zo hoog mogelijke huur klinkt leuk, maar deze moet voor uw kind wel op te brengen zijn. Misschien is het een optie om de huur (deels) terug te schenken. Als u uw zoon € 3.840,- schenkt, woont hij zelfs gratis, terwijl u nog steeds een brutorendement maakt van € 3.960,-, ofwel bijna 4%! Zorg er bij schenking wel voor dat de huur en de schenking volledig los van elkaar komen te staan en ga bijvoorbeeld de huur niet met de schenking verrekenen. Over een schenking tot € 5.320,- betaalt uw kind in 2017 overigens ook geen schenkbelasting. 

Over uw verhuurde woning moet u wel belasting betalen in box 3, maar dat was ook het geval geweest als u uw vermogen had gespaard of belegd. De waarde van de woning is in dit geval echter niet de WOZ-waarde, omdat u hierop een waardevermindering mag toepassen vanwege de verhuurde staat. 

In bovengenoemd voorbeeld, ervan uitgaande dat de WOZ-waarde ook € 200.000,- is, wordt bij een huur van € 650,- per maand een waardedruk van 38% verleend. Uw woning van € 200.000,- telt dan dus maar voor € 124.000,- mee in box 3.

Bron: Tips & Advies - Belastingen

Btw-heffing op vouchers

27-12-2017

Nu is er pas btw verschuldigd op het moment dat de vouchers worden gebruikt, maar dit verandert in 2019. Er moet dan verschil worden gemaakt tussen vouchers voor enkelvoudig en voor meervoudig gebruik.

De btw-heffing op vouchers zal per 1 januari 2019 worden aangepast, zo blijkt uit een wetsvoorstel van 7 juli 2017. Deze regeling is van toepassing op onder meer de verkoop van cadeaubonnen, dinercheques, e.d. Op dit moment worden vouchers pas met btw belast op het moment dat zij door de gebruiker worden aangewend voor de aankoop van een product of dienst. Er is geen btw verschuldigd op het moment van verkoop van de voucher. Op basis van het wetsvoorstel moet er een onderscheid worden gemaakt tussen vouchers voor enkelvoudig en voor meervoudig gebruik.

Enkelvoudig gebruik

Een voucher waarbij op het moment van verkoop duidelijk is welk soort goederen of diensten daarmee aangekocht zal worden en welk btw-tarief daarvoor geldt, is een voucher voor enkelvoudig gebruik. Deze is met btw belast op het moment van de verkoop.

Meervoudig gebruik

Als op het moment van verkoop van de voucher nog niet vaststaat welke goederen en of diensten daarmee kunnen worden aangeschaft en het btw-tarief dus nog niet kan worden bepaald, is er pas btw verschuldigd als de voucher wordt gebruikt. Gedacht kan worden aan een cadeaubon die kan worden besteed in een kookwinkel met zowel producten die met 6% btw belast zijn, zoals ingrediënten voor een maaltijd, als producten die belast zijn met 21% btw, zoals een braadpan. 

Administratie goed inrichten

Van belang is dat de administratie te zijner tijd zodanig is ingericht  dat het duidelijk is om welke soort vouchers het gaat. Het kan voordelig zijn om, waar mogelijk, toe te staan dat de verkochte vouchers zowel voor goederen en diensten die belast zijn met 6% btw als voor goederen en diensten die belast zijn met 21% btw kunnen worden ingewisseld (vouchers voor meervoudig gebruik), zodat de btw-heffing wordt uitgesteld. 

Bron: Tips & Advies - Belastingen

Nieuwe Arbowet: welke risico's loopt u?

19-12-2017

De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zal zich bezig gaan houden met het controleren van de nieuwe Arbowet.

Wat betekent dit in de praktijk? Hoe zal er worden geïnspecteerd?

De inspecteur van de SZW kan zonder afspraak langs komen en mag, zonder toestemming van de werkgever, het bedrijf controleren. U bent verplicht mee te werken bij alle stappen die de inspecteur neemt. De inspecteur kan het volgende doen:

  • Vragen stellen aan werknemers (of de ondernemingsraad/ personeelsvertegenwoordiging);
  • Vragen stellen aan u als werkgever;
  • Het controleren van de personeelsadministratie. Denk aan personeelsdossiers, contracten en loonadministratie;
  • De werkomstandigheden en het arbeidsomstandighedenbeleid controleren.

Wat houdt de inspectie van de nieuwe Arbowet precies in?

Met de nieuwe Arbowet zijn de inspectiemogelijkheden van de Inspectie SZW uitgebreid. Dit betekent dat de Inspectie SZW meer mogelijkheden heeft gekregen om maatregelen op te leggen. In sommige situaties is dit zelfs verplicht. Bijvoorbeeld indien het basiscontract niet aanwezig is. Is hiervan sprake dan kan de Inspectie SZW de volgende stappen nemen:

1.    Als het gaat om een niet zware of ernstige overtreding, zal de Inspectie SZW eerst een eis tot naleving van de wet vorderen.

2.    De inspecteur zal dan omschrijven wanneer de Inspectie tevreden is en het werk veilig en gezond is georganiseerd.

3.    De inspecteur geeft aan wat u moet doen en binnen welke termijn om de overtreding op te heffen.

4.    Bij een tweede controle wordt bekeken of u nu wel voldoet aan de Arbowet.

5.    Is dit niet gebeurd, dan zal de inspecteur een boeterapport opstellen.

6.    Het boeterapport wordt aan de zogenoemde boeteoplegger van de Inspectie SZW gestuurd.

7.    Deze boeteoplegger beoordeelt of een boete moet worden opgelegd.

Boetes omtrent het basiscontract

  • Geen basiscontract                                                              € 1.500
    (kan direct worden opgelegd)
  • Basiscontract niet compleet                                                €    750
  • Adviseren van de werkgever over de begeleiding van
    werknemers die door ziekte niet kunnen werken niet
    opnemen in basiscontract.                                                   €    750
  • De werkwijze van de bedrijfsarts is niet opgenomen
    in het basiscontract.                                                             € 1.500

Boetes omtrent preventiemedewerkers

  • Niet laten bijstaan door één of meer deskundige
    werknemers (preventiemedewerkers).                                 € 1.500

Boetes omtrent open spreekuur

  • Werknemers niet actief wijzen op de mogelijkheid tot
    een open spreekuur.                                                            € 1.500

Boetes omtrent uitbreiding rol van de bedrijfsarts

  • Geen doeltreffende toegang tot de bedrijfsarts.                  € 1.500
  • Bedrijfsarts heeft geen mogelijkheid de werkplek
    te bezoeken.                                                                         € 1.500
  • Niet verzenden afschrift van advies aan belanghebbende
    werknemers wanneer een ondernemingsraad of
    personeelsvertegenwoordiging mist.                                  €    340

Boetes omtrent second opinion

  • Geen mogelijkheid tot second opinion                                 € 1.500
  • Het niet juist ter beschikking stellen van de second
    opinion.                                                                                €    750

Per 1 september 2017 zijn de regels voor de oplegging van boetes aangepast aan de veranderde wetgeving. Vanaf deze datum is dan ook de aangepaste Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwet van kracht.

De nieuwe boeteregels gelden voor alle vanaf 1 juli 2017 afgesloten (basis)contracten. Die contracten moeten direct aan alle wettelijke verplichtingen voldoen. Voor de aanpassing van vóór 1 juli 2017 lopende contracten geldt een overgangstermijn van één jaar. Al deze contracten moeten vóór 1 juli 2018 voldoen aan de nieuwe regelgeving.

Bron: Van Oers Loonadvies

Eindejaarstips 2017

12-12-2017

Wat zijn – zo aan het einde van het jaar – zaken waar je rekening mee moet houden ten aanzien van je administratie? Welke belangrijke wijzigingen in 2018 hebben impact op deze laatste maand van 2017 en wil je nog geregeld hebben? Wij zetten ze voor je op een rijtje.

Voorkom verliesverdamping

Verliezen uit het verleden zijn negen jaar voorwaarts te verrekenen, oftewel: af te trekken van de winst. Verliezen die hun oorsprong hebben in 2008, kunnen daarom uiterlijk in 2017 nog verrekend worden: voorkom dat je deze verliezen niet meer kunt verrekenen en zorg dus dat verliezen uit 2008 verrekend kunnen worden met winsten uit 2017.

Tip: Kijk nu alvast naar de verliezen die eind 2018 verdampen en ga hier aan het begin van 2018 tijdig mee aan de slag.

Investeringen

Ben je van plan om nog te investeren in bedrijfsmiddelen? Bepaal dan eerst of het slim is om deze investering in 2017 of 2018 te doen. Heb je namelijk voor een bedrag tussen € 2.300,- en € 312.176,- geïnvesteerd in 2017, dan heb je recht op kleinschaligheidsinvesteringsaftrek.

Tip: Kom je door een investering in 2017 boven het drempelbedrag van € 312.176,-? Overweeg dan – op dit moment – om de investering uit te stellen tot 2018.

Werkkostenregeling

Heb je als onderneming je werkkostenregeling optimaal benut? Je mag namelijk zaken zoals bedrijfsfeestjes, laptops, telefoons of kerstpakketten belastingvrij verstrekken of vergoeden aan je medewerkers tot een maximum van 1,2% van het fiscaal loon, de zogenaamde vrije ruimte. Kom je hierboven, dan betaal je 80% eindheffing over die 1,2%. Controleer of je de vergoedingen en verstrekkingen aan je werknemers correct hebt verwerkt

Het is niet mogelijk om vergoedingen of verstrekkingen in 2018 te doen over 2017. Deze dienen dus aan het einde van het jaar volledig verwerkt te zijn.

Loonkostenvoordeel

Heb je oudere of gehandicapte medewerkers? Let dan goed op, want vanaf 2018 worden de huidige premiekortingen vervangen door het loonkostenvoordeel. Dit loonkostenvoordeel ontvang je pas na afloop van het kalenderjaar als eenmalige uitkering.

Voor iedere medewerker die onder het loonkostenvoordeel valt, dien je een doelgroepverklaring te hebben, die je uiterlijk binnen drie maanden na indiensttreding of herplaatsing moet hebben aangevraagd. Overleg met onze loonspecialist hoe je ervoor kunt zorgen dat je het loonkostenvoordeel voor 2018 goed geregeld hebt. Tot 1 mei 2018 geldt namelijk het overgangsrecht.

Giften aan ANBI / SBBI

Wil je nog een gift doen aan een goed doel, zijnde een ANBI of een steunstichting SBBI? Het kan voordelig zijn om dit nog in 2017 te doen. Deze giften komen namelijk in aanmerking voor de giftenaftrek van de vennootschapsbelasting. Deze aftrek bedraagt op zijn hoogst 50% van de winst, met een maximum van € 100.000,-. Vraag ons naar de aanvullende voorwaarden.

Bron: NOAB

Verplicht vakantietoeslag verschuldigd op overwerk vanaf 1 januari 2018

07-12-2017

De huidige Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) regelt niets over de uren die de werknemer meer werkt dan de normaal gebruikelijke arbeidsduur. Dit verandert per 1 januari 2018. Vanaf dat moment valt het over- en meerwerk ook onder het loonbegrip

U moet uw werknemers betalen voor de uren die ze werken. Als zij extra uren werken (het zogeheten meerwerk) moet u uw werknemers zo betalen dat zij gemiddeld minstens het minimumloon verdienen voor die gewerkte uren. Dit geldt ook als een werknemer in deeltijd werkt en extra uren werkt. 

Vakantiegeld

Doordat over- en meerwerk per 1 januari 2018 onder de WML komt te vallen, bent u vanaf die datum in beginsel ook verplicht daarover vakantiebijslag te betalen. Bij cao kunnen afwijkende afspraken worden gemaakt, bijvoorbeeld dat er geen of minder recht is op vakantiebijslag over overwerkvergoeding. In een cao zal (vrijwel) altijd bepaald zijn wat de grondslag voor de vakantiebijslag is. Als overwerk daar niet bijstaat, geldt dat ook als een afwijkende afspraak. Wel moet, ook als er een cao is, de som van loon plus vakantiebijslag altijd ten minste 108% van het minimumloon zijn. Is er geen cao (meer) van toepassing, dan moet u over overwerk altijd vakantiebijslag betalen, ook als de werknemer over overwerk meer dan 100% krijgt betaald, wat veelal gebruikelijk is.

U kunt hierdoor in overtreding komen met het verbod op onderscheid op grond van arbeidsduur. Dit kan het geval zijn als de parttime werknemer voor meerwerk tot aan de fulltime arbeidsduur een toeslag krijgt waarin de vakantiebijslag al verdisconteerd is, terwijl dat niet expliciet bepaald is (wat vrijwel altijd het geval is). De parttime werknemer krijgt dan over het meerwerk nogmaals 8% vakantiebijslag en krijgt daarmee meer betaald dan zijn fulltime collega.

In ieder geval maakt deze wijziging van de WML voor ondernemingen waar geen cao van toepassing is, meer- en overwerk in het algemeen 8% duurder. Alleen als een werknemer een overeengekomen loon heeft van meer dan drie maal het wettelijk minimumloon, kan schriftelijk worden overeengekomen dat de werknemer geen recht heeft op vakantiebijslag dan wel recht heeft op een lager bedrag aan vakantiebijslag. Andere mogelijkheid is om er bij de honorering van over- en meerwerk rekening mee te houden dat er vakantiegeld over moet worden betaald.

Uitzonderingen

Extra uren kunnen worden gecompenseerd in betaalde vrije tijd (tijd-voor-tijd) als dit in de cao staat en deze compensatie schriftelijk is afgesproken met de werknemer (TIP: Maak schriftelijk afwijkende afspraken met de werknemer). Om voldoende tijd te bieden aan sociale partners om deze mogelijkheid in de cao op te nemen, is tot 31 december 2018 schriftelijke overeenstemming met de werknemer voldoende. Deze uren moet de werknemer uiterlijk voor 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar  opnemen of moeten aan de werknemer worden uitbetaald (TIP: Betaal overuren gemaakt in 2017 voor 1 januari 2018 uit of laat de overuren opnemen). Als het dienstverband wordt beëindigd moet u de uren die nog niet gecompenseerd zijn uitbetalen. Bij compensatie van extra uren in betaalde vrije tijd moet de werkgever bijhouden wanneer de extra uren zijn opgebouwd en wanneer ze zijn gecompenseerd in betaalde vrije tijd. De manier waarop u dat doet, staat u  vrij.  

Bron: Rijksoverheid

Erfenis naar de kleinkinderen, regelen via testament!

05-12-2017

Zelfs al geldt er een uitsluitingsclausule, als een kind overlijdt gaat het familievermogen door de wettelijke verdeling toch naar de langstlevende 'koude kant'. Kan dat anders geregeld worden?

Als Jan overlijdt, laat hij zijn dochter Linda als zijn enige erfgename na. De erfenis is € 600.000,-. Linda is op huwelijkse voorwaarden getrouwd met Kees. Samen hebben ze twee kinderen (Jan's kleinkinderen).  Het testament van Jan zegt (uitsluitingsclausule): "al hetgeen een erfgenaam verkrijgt, blijft altijd diens privévermogen, ongeacht wat de erfgenaam anders heeft geregeld". 

Zes maanden later overlijdt Linda. Ze heeft geen testament. Volgens de wet heeft zij drie erfgenamen: Kees en hun beide kinderen. Nu de 'wettelijke verdeling' geldt, wordt de gehele erfenis van Linda toegedeeld aan haar echtgenoot Kees. Die wordt enig eigenaar van haar vermogen, inclusief de € 600.000,- die Jan haar heeft nagelaten. Kees kan daarmee doen wat hij wil. De kinderen krijgen slechts een vordering op hun vader voor de waarde van hun erfdeel. Dit is normaliter pas opeisbaar als Kees overlijdt. 

Kinderen niet in beeld

Via de omweg van de wettelijke verdeling komt de nalatenschap van Jan dus toch terecht bij Kees ('de koude kant'). Dit ondanks de huwelijkse voorwaarden en ondanks de uitsluitingsclausule. De (klein)kinderen zijn niet in beeld, want plaatsvervulling speelt niet. Dat zou anders zijn als Linda voor haar vader Jan zou zijn overleden. Dan treden haar kinderen als erfgenamen van hun opa Jan in haar plaats (en dus niet echtgenoot Kees). Ieder van de kinderen had dan recht op € 300.000,-.

Verwacht mag worden dat het geld van Jan (of wat daarvan rest) uiteindelijk na overlijden van schoonzoon Kees toch bij zijn kleinkinderen terecht komt. Eventueel had Linda een testament kunnen maken waarbij zij dat zelf regelt. Blijkbaar heeft ze dat niet gedaan.

Zelf regelen in testament

Om er zeker van te zijn dat zijn erfenis na overlijden van Linda naar zijn kleinkinderen gaat (en niet naar Kees), had Jan in zijn testament een 'tweetrapsmaking' kunnen maken. Aldus bepaalt Jan dat de € 600.000,- (of het restant), na Linda's overlijden direct naar haar kinderen (zijn kleinkinderen) gaat. Voor dat bedrag geldt de wettelijke verdeling niet. Deze geldt dan alleen voor het overige vermogen dat Linda nalaat. 

Deze tweetrapsmaking levert ook fiscaal voordeel op. De eerste verkrijger (Linda) wordt voor het gehele bedrag belast voor de erfbelasting. Wat er na haar overlijden overblijft en daarna wordt verkregen door haar kinderen, wordt ook bij de kinderen (de kleinkinderen van Jan) belast. Op die verkrijging is het tarief van toepassing zoals dat geldt tussen ouders en kinderen (max. 20%). Dat is lager dan het tarief dat geldt tussen opa en kleinkinderen (max. 36%).

Voor goed bewijs moet het vermogen waarvoor de tweetrapsmaking geldt, apart worden geadministreerd. Gaat het alleen om een geldbedrag, dan kan dat vrij simpel. Als Linda de € 600.000,- ontvangt, opent ze een aparte bankrekening en stort daarop het bedrag onder vermelding van 'nalatenschap Jan'. Na het overlijden van Linda is dan voor iedereen (zeker voor Kees) duidelijk dat het bedrag dat op die rekening staat, toekomt aan de (klein)kinderen. Ieder van hen kan direct aanspraak maken op de helft!

Voorkom dat uw verliezen verloren gaan

28-11-2017

Verliezen kunnen in de loop der tijd verdampen of verloren gaan door een belangenwijziging in uw BV. Dit kunt u voorkomen door 'kunstmatig'  winst te creëren. Welke mogelijkheden zijn er en waar moet u op letten?

In de crisisjaren hebben tal van bedrijven soms forse verliezen geleden. Heeft u een BV, dan kunt u deze verliezen met de winst van het voorgaande jaar en met de winsten in de komende negen jaar verrekenen. Na deze periode bent u de verliezen echter kwijt, tenzij u op tijd maatregelen neemt. 

u kunt 'verliesverdamping' op verschillende manieren voorkomen. In alle gevallen zorgt u ervoor dat u belastbare winst maakt, en wel op een eerder tijdstip dan gepland, die u vervolgens wegstreept tegen het verlies. 

Verkoop bedrijfsmiddelen

Een van de mogelijkheden is de verkoop van bedrijfsmiddelen met boekwinst. Denk aan een machine, een pand of een vrachtwagen. De boekwinst is belast en valt geheel of deels weg tegen het nog te verrekenen verlies uit oude jaren. U kunt na verkoop besluiten een ander bedrijfsmiddel terug te kopen, maar u kunt ook uw verkochte bedrijfsmiddel terugleasen. U blijft dan over het bedrijfsmiddel beschikken, terwijl uw verlies niet verdampt.

De Belastingdienst heeft in een besluit aangegeven hiermee akkoord te gaan als er verkocht wordt aan een gelieerde partij of aan een nieuw opgerichte BV. Voorwaarde is wel dat de verkoop plaatsvindt tegen reële marktprijzen en dat er geen sprake mag zijn van gekunstelde constructies, zoals terugoverdracht van de economische eigendom. Verder is het goedgekeurd dat bij eventuele verkoop aan een dochter-BV met deze later weer een fiscale eenheid kan worden aangegaan. 

Wijzigen waarderingssysteem

U kunt soms ook winst creëren door het waarderingssysteem van bepaalde bedrijfsmiddelen te wijzigen, bijvoorbeeld van uw voorraden. Voorwaarde is dat de wijziging in overeenstemming is met goed koopmansgebruik, dat deze bestendig wordt toegepast en dat er geen sprake is van een incidenteel fiscaal voordeel. Het voorkomen van verliesverdamping schaart de Belastingdienst hier niet onder, mits het gaat om eigen verlies. Het op deze manier veiligstellen van een gekocht verlies (via een verlies-BV) mag dus niet.

Herinvesteringsreserve

Bij verkoop van een bedrijfsmiddel met boekwinst kunt u deze boekwinst reserveren en afboeken op een nieuw aan te schaffen bedrijfsmiddel. In het kader van verliesverrekening kunt u deze reserve weer vrij laten vallen door niet binnen drie jaar tot herinvestering over te gaan. Bedenk verder dat u op uw voornemen tot vorming van een herinvesteringsreserve terug kunt komen zolang uw aanslag vennootschapsbelasting niet definitief vaststaat, hetgeen in het algemeen wel enige jaren duurt.

Kostenegalisatiereserve

Voor kosten die zich slechts na meerdere jaren voordoen, zoals groot onderhoud, kunt u een reserve vormen om deze in de tijd te spreiden. Deze zogeheten 'kostenegalisatiereserve' moet verplicht worden opgeheven bij verkoop van het bedrijfsmiddel waarvoor deze gevormd is. Houd hier rekening mee bij het afstoten van een bedrijfsmiddel vanwege mogelijke verliesverdamping.

 

Een youngtimer, ook iets voor u?

21-11-2017

De laatste tijd is er in de media veel aandacht besteed aan 'youngtimers'. Het zou voordelig zijn om zo'n youngtimer als auto van de zaak te nemen. Hoe zit dit nu eigenlijk? Waar moet u op letten?

Als u een auto van de zaak rijdt die u op jaarbasis voor meer dan 500 kilometer privé gebruikt, dan krijgt u te maken met een bijtelling bij uw inkomen: een bepaald percentage van de (oorspronkelijke) cataloguswaarde van de auto. Het percentage hangt af van de CO2-uitstoot, maar is maximaal 22%. Bij een auto met een nieuwprijs van € 60.000,- is de bijtelling dan € 13.200,-. Als u in het hoogste belastingtarief (52%) valt, kost u dat € 6.864,- per jaar. 

Voor auto's aangeschaft voor 2017, kan nog een bijtellingspercentage van 25% gelden.

Youngtimer

Het vorenstaande geldt niet alleen als de auto nog geen vijf jaar oud is, maar ook als die al lang is afgeschreven. Om de scherpe kantjes daarvan af te halen, geldt er een speciale regeling voor auto's die ouder zijn dan 15 jaar: de youngtimer.

Daarvoor geldt een bijtelling op basis van de dagwaarde (de prijs die u bij aankoop betaalt). Zelfs als het gaat om een auto die oorspronkelijk vele honderdduizenden euro's kostte. Het bijtellingspercentage is met 35% wel veel hoger, maar doordat de dagwaarde fors lager is, is de bijtelling toch veel lager. Als u een youngtimer koopt voor € 10.000,-, bedraagt de bijtelling maximaal € 3.500,-. In de hoogste belastingschijf kost de auto u in privé dan € 1.820,-. Koopt u een auto die 14 jaar en negen maanden oud is, dan vindt de eerste drie maanden nog bijtelling op basis van de cataloguswaarde plaats, daarna op basis van uw aankoopprijs.

Aandachtspunten

Het comfort van de huidige auto's zal over het algemeen beter zijn. Er zijn echter ook tal van luxe youngtimers die over voldoende comfort beschikken. Wel kunnen oudere auto's met hoge onderhoudskosten te maken krijgen. Deze zijn weliswaar fiscaal aftrekbaar voor uw onderneming, maar doen wel afbreuk aan uw financiële voordeel. Let bij de aanschaf dan ook op de onderhoudshistorie van de auto en doe zaken met een betrouwbare verkoper. 

Steeds meer steden voeren milieuzones in. Mocht u overwegen een youngtimer aan te schaffen, bedenk dan dat deze mogelijk niet zal voldoen aan de eisen die vandaag de dag aan de uitstoot worden gesteld om in een milieuzone te mogen rijden.

Hoe zit het met de btw?

Ook voor de btw moet uw onderneming rekening houden met het privégebruik. De correctie van 2,7% wordt ongeacht de leeftijd van de auto in beginsel gebaseerd op de (oorspronkelijke) cataloguswaarde van de auto. Als u echter kunt onderbouwen dat de werkelijke correctie lager is, dan mag u daarvan uitgaan. Na vier jaar (na het jaar van aanschaf) mag er worden uitgegaan van een btw-correctie van 1,5%.

Doorgaans zal de youngtimer een 'margeauto' zijn, waarbij er geen btw op de aankoopfactuur wordt vermeld. Dan is het niet het hoge percentage van 2,7% van toepassing, maar het lagere van 1,5% om de privécorrectie te bepalen. 

Bron: Tips & Advies - Belastingen


Bekijk hier ons nieuwsarchief