Fiscale tips en belastingadvies

Achter de schermen bij een belastingcontrole

24-10-2017

Ondernemers die een belastingcontrole krijgen, vragen zich waarschijnlijk af hoe de Belastingdienst te werk gaat bij het voorbereiden en uitvoeren van een belastingcontrole. Wat is voor u belangrijk om te weten?

Controlemedewerkers van de Belastingdienst moeten bij het plannen en uitvoeren van een controle de richtlijnen van de Belastingdienst volgen. Hoe bepalen deze richtlijnen het verloop van de belastingcontrole en wat betekent dat voor u?

Controleaanpak Belastingdienst

De controlemedewerker voert zijn controle uit volgens de Controleaanpak Belastingdienst (CAB). De controlemedewerker beoordeelt of het controleobject (uw aangifte) voldoet aan de (fiscale) wet- en regelgeving. Kort gezegd beoordeelt de controleur of u de regels goed toepast en of u ook alles verantwoordt wat u moet verantwoorden.

Controledoelen

Bij aanvang van een controle stelt de controleur de controledoelen vast. Er wordt niet in het wilde weg gecontroleerd, maar met de focus op het doel van de controle. Het is afhankelijk van de bevindingen uiteraard mogelijk dat de controle wordt uitgebreid, bijvoorbeeld naar andere jaren of andere belastingen. 

De controleur past voor zijn controle de materialiteitstabel van de Belastingdienst toe. Er is alleen aanleiding voor een correctie bij voldoende materialiteit. Dit is afhankelijk van de omvang van uw bedrijf. De controleur moet de controle zo opzetten en uitvoeren dat hij voldoende en geschikte controle-informatie verkrijgt om conclusies te kunnen trekken. De opzet en de uitvoering van de controle moeten voldoende inhoudelijk juiste informatie opleveren. 

Controlewerkzaamheden

Aan de hand van het transactiemodel stelt de controlemedewerker onder meer vast of de relevante transacties (de werkelijkheid) juist en volledig in de aangifte(n) verantwoord zijn. Vanuit uw bedrijfsactiviteiten wordt beschreven welke relevante transacties er plaatsvinden. Deze worden gematcht met uw aangifte. 

De controleur bepaalt de aard en omvang van zijn controlewerkzaamheden op basis van een risicoanalyse om te komen tot efficiënte en effectieve combinatie van systeemgerichte en gegevensgerichte werkzaamheden. Een controle moet zo efficiënt mogelijk verlopen, waarbij dubbel werk zo veel mogelijk wordt vermeden. Daarbij wordt beoordeeld hoe uw administratie is georganiseerd en of de vastgelegde gegevens kloppen. Waar mogelijk wordt er gesteund op door anderen reeds verrichte werkzaamheden. 

De controlemedewerker stelt aan de hand van het workflowmodel een controleprogramma op om zijn controleactiviteiten in te richten. Het is de bedoeling dat iedere controle min of meer op dezelfde wijze verloopt. Dit wordt gewaarborgd door te werken met vastomlijnde controleprogramma's. Deze manier van werken is vergelijkbaar met de manier waarop wij onze werkzaamheden organiseren en uitvoeren.

De belastingdienst besteedt veel tijd en moeite aan het voorbereiden van controles. Wanneer een onderzoek wordt aangekondigd, zullen wij ons eveneens optimaal voorbereiden.

Bron: Tips & Advies - Belastingen

Gaat u een andere auto rijden in 2018?

17-10-2017

In 2013 zijn de eerste auto's met een bijtelling van 0% de weg op gekomen. Voor auto's met een eerste tenaamstelling vanaf 1 juli 2012 geldt het bijtellingspercentage 60 maanden. Dit wil dus zeggen dat de 60-maandsperiode voor deze auto's in 2018 afloopt. Daardoor krijgt u te maken met andere bijtellingspercentages. Waar moet u nu op letten?

De fiscale bijtelling voor privé gebruik van een auto van de zaak is van toepassing als er in een kalenderjaar meer dan 500 kilometer privé wordt gereden. Die toets geldt per kalenderjaar, niet per auto. Dit kan bij wisseling van een auto gedurende het kalenderjaar problemen opleveren. Zeker als een auto zonder fiscale bijtelling wordt ingewisseld voor een auto met fiscale bijtelling. 

Stel u rijdt vanaf december 2013 in een nieuwe Mitsubishi Outlander (bijtelling 0%). U heeft hier elk jaar meer dan 500 kilometer privé mee gereden. De bijtelling was immers toch 0%. In december 2018 verloopt de 60-maandsperiode en besluit u de Mitsubishi in te ruilen voor een BMW. Deze BMW heeft echter een bijtellingspercentage van 22%. U ziet het niet zitten om deze bijtelling te betalen. Daarom besluit u vanaf december 2018 een kilometeradministratie bij te houden en met de BMW niet meer dan 500 privékilometers te gebruiken. Komt u hier mee weg?

Nee, in bovenstaand geval kan u alsnog te maken krijgen met de fiscale bijtelling wegens privégebruik. U heeft namelijk meer dan 500 privékilometers gemaakt op jaarbasis. Wilt u niet bijtellen, dan dient u een overtuigend aan te kunnen tonen dat u het gehele jaar niet meer dan 500 kilometer privé rijdt. Dit kan door middel van een sluitende rittenregistratie. U dient dit ook te moeten doen wanneer u besluit de Mitsubishi aan te houden. Vanaf december 2018 geldt voor deze auto namelijk ook een bijtellingspercentage van 22%. 

Relevant fiscaal nieuws uit het regeerakkoord (3)

13-10-2017

Weer na drie jaar recht op een vast contract

Werknemers krijgen straks weer na drie jaar recht op een vast contract. Op dit moment zijn werkgevers na twee jaar dienstverband al verplicht om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te geven.

Door de invoering van de Wet werk en zekerheid werd de maximale duur van de ketenbepaling per 1 juli 2015 verkort van drie jaar naar twee jaar. In het regeerakkoord wordt deze maatregel weer teruggedraaid. Dit betekent dat de maximale duur van de ketenbepaling straks weer drie jaar is. Werknemers hebben dan na drie tijdelijke contracten of contracten tijdens een duur van maximaal drie jaar (wat eerder komt) recht op een vast contract.

Ketenbepaling weer teruggedraaid

De ketenbepaling wordt teruggedraaid, omdat de verkorting er in de praktijk vaak toe leidt dat werkgevers tijdelijke werknemers eerder de laan uit sturen. Dit is voor het aankomende kabinet een reden om de ketenbepaling weer te versoepelen.  

Tussenperiode blijft zes maanden

De tussenperiode die ervoor zorgt dat de keten opnieuw begint te lopen, blijft zes maanden. Wel vinden de formatiepartijen dat er per sector een mogelijkheid moet zijn om hiervan af te wijken. Dit is nu al het geval bij seizoensarbeid, maar geldt straks ook voor terugkerend tijdelijk werk dat hoogstens negen maanden per jaar kan worden verricht.

 

Direct na indiensttreding recht op transitievergoeding

Werknemers hoeven straks niet meer twee jaar in dienst te zijn om recht te hebben op de transitievergoeding. Ook wijzigt de berekening van de transitievergoeding na het tiende dienstjaar.

Op dit moment moeten werknemers een dienstverband van minimaal twee jaar hebben voordat zij bij ontslag recht hebben op een transitievergoeding. In het regeerakkoord is aangekondigd dat werknemers dit recht straks vanaf het begin van hun arbeidsovereenkomst krijgen. Voor het recht op de transitievergoeding maakt het dan dus niet meer uit hoelang een werknemer in dienst is geweest. Wel zal de hoogte van de transitievergoeding bij een korter dienstverband dan twee jaar uiteraard minimaal zijn.

Wijziging transitievergoeding na tiende dienstjaar

Daarnaast wordt de hoogte van de transitievergoeding voor werknemers die langer dan tien jaar in dienst zijn geweest straks gewijzigd. Op dit moment krijgen zij voor de eerste tien jaar een derde maandsalaris per gewerkt jaar. Voor de jaren na het tiende dienstjaar heeft de werknemer recht op een half maandsalaris per gewerkt jaar. Dit laatste wijzigt straks: ook na het tiende dienstjaar blijft een werknemer dan een derde maandsalaris per gewerkt jaar ontvangen. De overgangsregelings voor vijftigplussers blijft wel gewoon bestaan.

 

Vanaf 1 juli 2020 wekenlang vaderschapsverlof

Per 2019 kunnen werknemers vijf dagen betaald kraamverlof opnemen als hun partner bevalt. Vanaf 1 juli 2020 wordt het kraamverlof, ook wel vaderschapsverlof genoemd, nog verder uitgebreid.

Onder het bewind van het vertrekkende kabinet werd er al een wetsvoorstel voor uitbreiding van het kraamverlof ingediend. Dit wetsvoorstel vervangen de formatiepartijen door een nieuw wetsvoorstel. Dat voorstel regelt dat werknemers na de bevalling van hun partner recht hebben op vijf (in plaats van de huidige twee) dagen betaald kraamverlof. Tijdens deze vijf verlofdagen betaalt de werkgever het volledige loon door. Het oude wetsvoorstel beoogde te regelen dat UWV voor de drie extra verlofdagen een uitkering zou betalen. De uitbreiding naar vijf betaalde verlofdagen moet per 1 januari 2019 gebeuren. In de Rijksbegroting 2018 van het ministerie van SZW is hier al rekening mee gehouden.

Vijf weken kraamverlof, met uitkering van UWV

Het nieuwe wetsvoorstel heeft nog een andere verrassing in petto: per 1 juli 2020 krijgen de werknemers de kans om maar liefst vijf aanvullende weken vaderschapsverlof op te nemen. Dit deel van het verlof wordt wél betaald door UWV. De uitkeringsinstantie verstrekt hiervoor een uitkering, die 70% van het dagloon (en hoogstens 70% van het maximumdagloon) bedraagt. Een werknemer kan het verlof alleen in het eerste half jaar na de geboorte van het kind opnemen.

Het aankomende kabinet wil met de wijzigingen een positieve bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de band tussen de partner en zijn of haar kind. Bovendien vergroot het langere kraamverlof de arbeidsmarktkansen van vrouwen, doordat het verschil met het zwangerschaps- en bevallingsverlof verkleind wordt.

 

Nieuw pensioenstelsel: iedereen z’n eigen potje

Als het aan de formatiepartijen ligt, verdwijnt de zogenoemde doorsneesystematiek in het pensioenstelsel. Iedere werknemer bouwt straks zijn eigen pensioenpotje op: het persoonlijk pensioenvermogen.

In het regeerakkoord 2017 wordt een grootschalige verandering van het pensioenstelsel aangekondigd. Iedere deelnemer krijgt zijn eigen, individuele pensioenpot: het persoonlijk pensioenvermogen. Daarmee verdwijnt de doorsneesystematiek waarbij de premie van jongeren deels wordt gebruikt voor het pensioenuitkering van ouderen. De plannen van de formatiepartijen sluiten aan op het advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) over het nieuwe pensioenstelsel.

Wél collectieve risicodeling

De invoering van het persoonlijk pensioenvermogen betekent niet dat gepensioneerden die langer leven dan gemiddeld de laatste jaren van hun leven zonder pensioen komen te zitten. Een collectieve buffer – die wordt gevuld met overrendement – zorgt er namelijk voor dat onvoorziene omstandigheden geen nadelige gevolgen hebben voor deelnemers. 

Al begin 2018 overeenstemming

De formatiepartijen willen meteen vaart zetten achter de nieuwe pensioenplannen. Al begin 2018 willen zij op hoofdlijnen overeenstemming bereiken met de sociale partners. Het streven is dat in 2020 het wetgevingsproces afgerond wordt en direct daarna begonnen kan worden met de implementatie van de nieuwe regels. 

Bron: Rendement

Relevant fiscaal nieuws uit het regeerakkoord (2)

12-10-2017

Wet DBA sterft stille dood in regeerakkoord 2017

De verguisde Wet deregulering arbeidsrelaties heeft zijn langste tijd gehad. In het kersverse regeerakkoord staan drie uitgangspunten voor de wet die hem gaat vervangen.

De Wet deregulering arbeidsrelaties (DBA) volgde in mei 2016 de Verklaring arbeidsrelatie (VAR) op. De Wet DBA zorgde echter vanaf het begin al voor veel onduidelijkheid en onrust. De Belastingdienst beloofde daarom om de wet tot juli 2018 niet te handhaven. Het regeerakkoord 2017 draait hem helemaal de nek om. Daarin staat dat de Wet DBA wordt vervangen door een nieuwe wet.

Niet te veel administratieve rompslomp voor werkgevers

De opvolger van de Wet DBA moet zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) en de partijen die met hen in zee gaan, de zekerheid geven dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. Aan de andere kant moet schijnzelfstandigheid in de kiem worden gesmoord. De formatiepartijen zijn van plan om partijen uit de praktijk te betrekken bij de uitwerking van de nieuwe wet. Ook vinden ze het belangrijk dat de nieuwe wet voor de Belastingdienst goed te handhaven is en voor werkgevers en opdrachtnemers niet al te veel administratieve rompslomp oplevert.

 

Laag tarief voor zzp’er: automatisch arbeidsovereenkomst

 

Als een zelfstandige een laag tarief verdient en daarnaast reguliere werkzaamheden verricht of minimaal drie maanden op de werkvloer rondloopt, is er in de toekomst altijd sprake van een dienstverband. Dat lage tarief zal waarschijnlijk tussen de € 15 en € 18 per uur liggen.

 

Een zelfstandige zonder personeel heeft volgens het regeerakkoord 2017 al snel een dienstverband. In de nieuwe regels voor zzp’ers – die de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties gaan opvolgen – staat namelijk dat er altijd sprake is van een arbeidsovereenkomst als een zzp’er een laag tarief betaald krijgt en daarnaast aan één van deze voorwaarden voldoet:

 

  • Hij verricht reguliere werkzaamheden.
  • Hij is langer dan drie maanden werkzaam voor de organisatie.

Van een laag tarief is waarschijnlijk sprake als de zzp’er tussen de € 15 en € 18 per uur verdient.

Even wennen aan de nieuwe regels

Werkgevers krijgen de tijd om te wennen aan de nieuwe regels voor zzp’ers: na de invoering van de nieuwe regels zal de overheid – net als na de invoering van de Wet DBA – gedurende een jaar een terughoudend handhavingsbeleid voeren. In dat jaar worden er wel controles gehouden, maar in eerste instantie geen boetes uitgedeeld.

 

Opdrachtgeversverklaring biedt vooraf zekerheid bij zzp’er

Organisaties die met zzp’ers werken, kunnen straks vooraf via een webmodule vrijwaring voor de loonheffingen krijgen. Deze zogenoemde opdrachtgeversverklaring maakt deel uit van een heel pakket aan nieuwe regels voor opdrachtnemers.

De zogenoemde opdrachtgeversverklaring voor zelfstandigen zonder personeel houdt in dat opdrachtgevers via een webmodule een aantal vragen moeten invullen over de arbeidsrelatie met de opdrachtnemer. Komt er uit die module dat er geen sprake is van een dienstverband, dan loopt de opdrachtgever geen risico op een naheffingsaanslag voor de loonheffingen. Dat staat  in het regeerakkoord 2017.

Geen zekerheid bij onjuiste antwoorden

Alleen als de opdrachtgever vragen in de webmodule onjuist beantwoordt, kan hij alsnog met een naheffingsaanslag geconfronteerd worden. De kans dat dat gebeurt is volgens de formatiepartijen echter klein, onder meer doordat het begrip gezagsverhouding verduidelijkt wordt. 

Aparte regels voor bijzondere groepen

Voor zzp’ers die een heel hoog of juist heel laag tarief hanteren, gelden straks aparte regels. Voor deze groepen hoeven organisaties dus geen opdrachtgeversverklaring te hebben.

 

Dividendbelasting afgevoerd

Het nieuwe kabinet zet een streep door de dividendbelasting. Dat maakt het volgens de coalitie voor Nederlandse ondernemingen makkelijker om kapitaal uit het buitenland aan te trekken. Ook scheelt het administratieve rompslomp.

Uit het regeerakkoord blijkt dat de afschaffing van de dividendbelasting waarschijnlijk voor 2020 gepland staat. Vanaf dat jaar boekt het kabinet namelijk jaarlijks € 1,4 miljard aan lagere belastinginkomsten in.

Nu betalen ondernemingen nog 15% belasting over het dividend dat zij uitkeren. Daarvoor moeten zij ook aangifte doen. De ontvanger van het dividend kan dit vervolgens weer verrekenen in de aangifte voor de inkomstenbelasting of voor de vennootschapsbelasting (VPB). Door de dividendbelasting te schrappen wordt die administratieve last dus minder.

Buitenlandse ondernemingen kunnen voordeliger investeren

Voor buitenlandse ondernemingen geldt vaak dat zij de ingehouden dividendbelasting niet in Nederland kunnen verrekenen met de inkomstenbelasting of de VPB. Dit nadeel vervalt dus straks, waardoor buitenlandse ondernemingen ook makkelijker kunnen investeren in het Nederlandse bedrijfsleven.

Tegelijkertijd neemt het kabinet maatregelen om te voorkomen dat er door het verdwijnen van de dividendbelasting brievenbusfirma’s uit de grond schieten die geld gaan uitkeren naar belastingparadijzen. Er komt een bronbelasting op royalty’s en rente die naar landen stromen met zeer lage belastingen.

Bron: Rendement

Relevant fiscaal nieuws uit het regeerakkoord (1)

11-10-2017

Inkomstenbelasting krijgt twee schijven van 36,93% en 49,5%

Uit het regeerakkoord blijkt dat het belastingstelsel flink hervormd gaat worden. Voor de inkomstenbelasting gaat een tarief van 36,93% gelden voor inkomens tot € 68.000, daarboven gaan belastingplichtigen een tarief van 49,5% betalen. Werken moet hierdoor meer gaan lonen.

Het tweeschijvenstelsel gaat dus bestaan uit een basistarief van 36,93% en een toptarief van 49,5%. Dit is een van de maatregelen uit het regeerakkoord die moet leiden tot een lastenverlichting van ruim € 6 miljard in 2021. Het inkomenspakket zorgt voor evenwicht tussen één- en tweeverdieners en maakt het – vooral voor werkenden met een middeninkomen – lonender om (meer) te werken. Werkenden met een middeninkomen zien hun inkomen momenteel amper stijgen als zij een dag extra gaan werken of promotie maken omdat ze al snel in een hogere belastingschijf terechtkomen. Door de twee belastingschijven in de loon- en inkomstenbelasting kunnen mensen langer profiteren van het lage tarief.

Wel drie schijven voor AOW-gerechtigden

Om de uitvoering van het fiscale stelsel dat in 2019 moet ingaan te realiseren, wordt de komende jaren € 0,5 miljard gereserveerd om de investeringsagenda van de Belastingdienst uit te voeren. Voor AOW-gerechtigden blijven er wel drie schijven bestaan.

 

Lage BTW gaat omhoog van 6% naar 9%

Het nieuwe kabinet wil in 2019 het lage BTW-tarief verhogen van 6% naar 9%. De opbrengst van deze BTW-verhoging is nodig ter dekking van de verlaging van de belastingen op inkomen.

Het lage BTW-tarief van 6% geldt onder andere voor voedingsmiddelen, water, agrarische goederen, geneesmiddelen , kunst en boeken. Daarnaast vallen de volgende diensten onder het lage BTW-tarief:

  • reparatie van fietsen, schoenen en kleding;
  • diensten van kappers;
  • werkzaamheden aan woningen;
  • cultuur en recreatie;
  • sport waaronder zwembaden en sauna’s.

Deze goederen en diensten worden dus duurder door de verhoging van het lage BTW-tarief. 

 

Mes in tarieven vennootschapsbelasting

Het nieuwe kabinet verlaagt de tarieven in de vennootschapsbelasting (VPB) de komende jaren met vier procentpunt. Er is echter ook een minpunt voor ondernemingen: het optrekken van de eerste schijf in de VPB gaat niet door.

In het regeerakkoord is afgesproken dat de twee tarieven in de VPB in 2021 moeten zijn gedaald naar respectievelijk 16% en 21%. Nu is dat nog 20% en 25%. Het lage tarief geldt tot een winst van € 200.000 per jaar.

De afbouw van de tarieven verloopt geleidelijk en gaat als volgt in zijn werk:

  • 2019: 19% en 24%
  • 2020: 17,5% en 22,5%
  • 2021: 16% en 21%

Streep door hogere eerste schijf VPB

In de financiële paragraaf van het regeerakkoord staat ook een tegenvaller voor ondernemers. Eerder was namelijk afgesproken dat de eerste schijf in de VPB geleidelijk zou worden opgetrokken. De eerste verhoging zou al in 2018 ingaan, waardoor het lage tarief van 20% zou gelden tot een winst van € 250.000. Maar het nieuwe kabinet haalt een streep door dat voordeel voor ondernemers. De grens blijft dus op € 200.000 staan.

Daarnaast schroeft het nieuwe kabinet het tarief in box 2 op, van 25% naar 28,5%.

 

Box 2-tarief op aanmerkelijk belang flink omhoog

Nederlanders met een aanmerkelijk belang in een vennootschap gaan de komende jaren flink meer belasting betalen in box 2. In de plannen van het nieuwe kabinet klimt het tarief van de huidige 25% naar 28,5% in 2021.

Een aanmerkelijkbelanghouder is iemand die een belang van 5% of meer houdt in een vennootschap. Over het belastbaar inkomen dat voortvloeit uit dat aanmerkelijk belang moet 25% belasting worden afgedragen in box 2.

Het optrekken van het tarief in box 2 is mede een gevolg van het besluit in het regeerakkoord om de komende jaren het mes te zetten in de vennootschapsbelasting. De VPB daalt juist van 20% en 25% nu naar 16% en 21% in 2021.

Eerste verhoging tarief box 2 in 2020

Om een stokje te steken voor ‘een sterke aanzuigende werking naar de bv’ stijgen dus de box 2-tarieven. De eerste verhoging is in 2020. Dan gaat het tarief naar 27,3%. In 2021 klimt het tarief dan verder naar 28,5%.

Bron: Rendement

Bijtelling privégebruik auto blijft 25% voor auto's van vóór 2017

10-10-2017

De overgangsregeling voor de bijtelling privégebruik auto van de zaak is volgens Rechtbank Den Haag niet in strijd met het IVBPR (Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten) en het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Per 2017 geldt alleen voor nieuwe auto’s het verlaagde percentage van 22%. Mr. Heleen Elbert schijnt haar licht op deze zaak.

Per 1 januari 2017 is de bijtelling voor de auto van de zaak verlaagd van 25% naar 22%. Op grond van de overgangsregeling van artikel 36c lid 1 Wet LB 1964 blijft het percentage van 25% gehandhaafd voor auto’s met een datum eerste toelating van uiterlijk 31 december 2016. Volgens de eisende partijen in de vier proefprocedures (van de Vereniging Zakelijke Rijders, VZR) leidt dit tot een ongeoorloofde ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Rechtbank Den Haag is het echter met de inspecteur eens dat daar geen sprake van is. De keuze voor de verlaging van het bijtellingspercentage is mede gelegen in het feit dat nieuwe auto’s in het algemeen zuiniger zijn dan hetzelfde type oude auto’s, aldus de rechtbank. Dat de wetgever ‘nieuwe auto’s’ heeft gedefinieerd als auto’s met datum eerste toelating na 31 december 2016 is op zich niet discriminatoir, en omwille van de uitvoerbaarheid mocht hij deze keuze maken. Met de overgangsregeling wilde de wetgever onwenselijke effecten voorkomen, waardoor de keuze voor invoering volgens de rechtbank redelijk is. De werkgevers hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat zij waren getroffen door een individuele en buitensporige last, dan wel een onredelijke last. Er is volgens de rechtbank geen onduidelijkheid die ertoe leidt dat zij prejudiciële vragen moet stellen aan de Hoge Raad, en verklaart het beroep van de werkgevers ongegrond.

Reactie mr. Heleen Elbert

Taxence vroeg mr. Heleen Elbert, autobelastingexpert en bestuurslid VZR, om een reactie op deze uitspraak. 'De uitspraken van de Rechtbank zijn zoals verwacht, niet bemoedigend. Hoewel ik het vreemd blijf vinden dat het privégebruik van een auto met datum tenaamstelling 31 december fiscaal veel voordeliger wordt belast dan (exact) dezelfde auto die een paar dagen later te naam is gesteld. 'Je moet toch ergens een grens trekken', aldus mijn korte samenvatting van de motivering van de Rechtbank. In eerdere, soortgelijke, rechtszaken ging het de vraag of er sprake was van discriminatie vanwege de verhoging van een CO2 uitstootgrens. Onderscheid tussen verschillende uitstootgrenzen werd daarin – kort door de bocht - gebillijkt vanwege het belang voor het milieu. Een verschil met die zaken is dat het nu niet gaat om eigenschappen van de auto en ook niet om een korting die verleend wordt op het standaardbijtellingspercentage. In deze zaak gaat het om het standaardbijtellingspercentage zelf. De staatssecretaris is tot de – terechte – conclusie gekomen dat 25% wat aan de hoge kant is, maar ‘gunt’ de verlaging tot 22% alleen aan auto’s die na 31 december 2016 te naam zijn gesteld. De ‘oudere’ auto’s worden hierdoor niet gediscrimineerd, aldus de rechtbank. Ik ben benieuwd naar de uitspraak in hoger beroep.'

Bron: Taxence

Belastingdienst is strenger bij aanpak schijnzelfstandigen

03-10-2017

De Belastingdienst vindt dat bedrijven die in de fout gaan met zzp'ers, eerder kunnen worden aangepakt. Staatssecretaris Wiebes noemde bij het opschorten van de Wet DBA vorig jaar, dat het hooguit om tien gevallen zou gaan. De fiscus hanteert dus een strenger beleid! 

De ruimere toepassing van het begrip 'evident kwaadwillenden' door de Belastingdienst blijkt volgens belastingadviseurs uit twee interne memo's van de fiscus die in augustus zijn vrijgegeven na een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur.

Volgens het Financieel Dagblad raden adviseurs hun klanten aan terughoudend te zijn met het voorleggen van opdrachtovereenkomsten met zzp'ers aan de Belastingdienst. Dat voorkomt het wakker maken van slapende honden.

Modelovereenkomsten

Wiebes schortte vorig jaar de handhaving van de Wet DBA op met als reden dat er problemen waren bij de totstandkoming van modelovereenkomsten om met zzp'ers te kunnen werken zonder de vrees voor navorderingen van loonheffingen.

Wiebes maakte toen een uitzondering voor 'evident kwaadwillenden'. Het zou hooguit om tien gevallen gaan, waar de termen fraude, zwendel, valsheid, samenspanning en uitbuiting op van toepassing zouden zijn.

Volgens de memo's kunnen bedrijven echter veel sneller in de categorie 'evident kwaadwillenden' belanden. Dat is vooral het geval als opdrachtgevers en -nemers, ondanks herhaaldelijke verzoeken van de Belastingdienst, geen aanpassingen aanbrengen in modelovereenkomsten die de fiscus heeft afgekeurd. Ook als bedrijven en zzp'ers aanwijzingen negeren om hun werkwijze te veranderen zodat er volgens de fiscus geen sprake is van een dienstbetrekking, kan de fiscus loonbelasting en sociale premies naheffen bij opdrachtgevers en boetes opleggen.

Bron: Taxence


Bekijk hier ons nieuwsarchief